In een van mijn ruils had Jack of Hearts een laatste alinea geschreven, die ik vervolgens moest gebruiken om een voorafgaand verhaal aan te breien. Deze ruil pakte zo goed uit, dat ‘ie eigenlijk een plaatsje op mijn denkendoetgeenzeer verdiend had. En zo geschiedde...
(Jacks alinea staat cursief gedrukt, maar hoort absoluut bij het verhaal.)
‘Goedenavond.’
‘Onze avond.’
Hij was op weg naar huis geweest, zijn wekelijkse kroegavondje met zijn vrienden zat er weer op. Hij was langs de kade gaan lopen, zijn favoriete route naar huis. Op een van de meerpalen had een gestalte gezeten. Een ruimvallende jas met capuchon en twee donkerblauwe benen was alles wat hij had kunnen zien. Door de uren met zijn vrienden was hij in een goede bui geweest, in een opwelling had hij vriendelijk gegroet.
‘Pardon?’ Zijn olijke knik was halverwege blijven steken en overgegaan in een frons.
‘Je verstond me wel,’ sprak de gestalte vriendelijk met een wat hese vrouwenstem, ‘onze avond.’ Ze zei het resoluut, legde nadruk op beide woorden, alsof hij vanzelfsprekend zou begrijpen waar dit over ging.
Hij twijfelde een moment. Zou hij doorlopen? Was zij gewoon een van de geestelijk verdwaalde types die hier wel eens rondbanjerden? Of zou hij haar vragen naar het waarom achter haar woorden?
‘Ik zal je niet in verlegenheid brengen hoor. Je bent nieuwsgierig, geef er gewoon aan toe?’ Ze grinnikte zachtjes na haar woorden. Hoe kon zij…? Dit trok hem over de streep. ‘Waarom is dit onze avond?’ Terwijl hij de woorden uitsprak nam ze de capuchon van haar hoofd. Twee heldergroene ogen keken hem aan onder het licht van de lantaarns.
‘Het is onze avond,’ sprak ze zacht, voorzichtiger dan eerst, ‘omdat het vandaag Simultania is. Vanavond, om precies te zijn. Rond…’ ze trok haar wijde mouw naar achteren en keek op haar kleine zwarte horloge, ‘een uur of drie.’ Bloedserieus keek ze naar hem op. Verward keek hij haar aan. Simulwat? Dit mens is gek. Langzaam krulden haar mondhoeken omhoog en begonnen haar ogen te twinkelen. Toen barstte ze in een kristalheldere lach uit.
Hij grijnsde op zijn beurt, ietwat ongemakkelijk, en bleef haar aankijken. Ze begon weer te spreken, haar stem was rauw, hees, het tegenovergestelde van haar lach. ‘Weet je, er zijn geen grenzen. Wij denken wel dat we begrensd zijn, maar dat is een illusie. Een van de vele die de mens rijk is, om precies te zijn. Dat is geen ramp hoor, dat is zelfs nodig, zo nu en dan. Maar niet altijd. Oh nee, absoluut niet altijd. Daarom is er Simultania. Om ons eens per maand te bevrijden van onze barrières.’
Hij begreep er nog steeds niet veel van. Terwijl ze sprak had hij haar woorden in zich opgenomen, en ondertussen haar gezicht bestudeerd. Hij kon met geen mogelijkheid raden hoe oud ze was. Ze leek tijdloos, niet jong, maar ook niet oud. Op een bepaalde manier leek ze nog het meest op een schilderij - iets dat eeuwen oud kon zijn maar nog even vastomlijnd als op de eerste dag. ‘Simultania? Daar heb ik nog nooit van gehoord. Wat doet men op deze dag?’ Hij wist bijna zeker dat een dergelijke feestdag absoluut niet bestond.
Ze grinnikte kort. ‘Je stelt me teleur. Waarom zou Simultania niet bestaan? Omdat het niet op kalenders gedrukt staat? Ziedaar: je eerste grens!’ Haar weidse lach weerklonk weer over het water. Hij glimlachte: ‘Ik denk dat ik je begin te begrijpen…’ Ze keek hem verwachtingsvol aan. ‘Ok, laat me even denken… ik… ik eh… ik ben alles, nee, nee wacht, ik ben jou!’ Hij grijnsde voldaan.
‘En ik zou zomaar jou kunnen zijn. Dit water kunnen zijn. Jouw inkt kunnen zijn…’ haar ogen boorden zich weer in de zijne. Even deinsde hij terug, hoe kon zij…? Toen hervatte hij zich, dit was nu juist wat de bedoeling was! ‘Ok… kijk me aan…’ Hij staarde diep in haar ogen, probeerde niets aan te nemen, niets in te vullen, niets onmogelijk te vinden. Langzaam voelde hij alles wat zo belangrijk leek, vervagen, en niets anders dan dit moment bestond.
Plots zag hij haar handen in de aarde, haar knieën tussen het groen. ‘Ik zou jouw moestuin kunnen zijn…’ Het was eruit voor hij het doorhad. De dame tegenover hem begon helemaal te stralen. Ze sprong op en strekte haar armen uit. ‘Juist! Helemaal juist!’ Ze bleef voor hem staan, haar armen loodrecht gestrekt. ‘Ik zou jouw spaghetti kunnen zijn!’ Hij zag nu allemaal beelden rondom haar, door haar heen, boven haar. ‘Ik zou jouw klei kunnen zijn!’ Ze knikte enthousiast, begon langzaam om hem heen te draaien.
‘Ik zou jouw medicijnen kunnen zijn!’
Hij begon langzaam met haar mee te draaien, voelde zich licht in zijn hoofd, maar niet door de alcohol, absoluut niet. Hij zag zoveel beelden door elkaar buitelen, hij zag hoe ze iemand verzorgde, hoe ze de open haard aanstak, hoe ze boven de koffiefilter hing met gesloten ogen, hoe ze met een beitel een beeld uithakte, het ging maar door.
‘Ik zou jouw blokken hout kunnen zijn!’
‘Ik zou jouw gitaar kunnen zijn!’
‘Ik zou jouw koffiegeur kunnen zijn!’
‘Ik zou jouw kersenhouten boekenkast kunnen zijn!’
‘Ik zou jouw steen kunnen zijn!’
‘Ik zou jouw kroontjespen kunnen zijn!’
‘Ik zou jouw donkerbruine kandelaar kunnen zijn!’
Ze tolden nu om elkaar heen, sneller en sneller, en bleven maar beelden benoemen, stukjes leven, fragmenten van andermans bestaan. Het was niet duidelijk wie meer genoot van deze uitwisseling.
‘Ik zou jouw…’ ze zweeg heel even, ‘verdriet kunnen zijn…’
Hij slikte even, volgde toen haar voorbeeld.
‘En ik zou jouw pijnlijke onderrug kunnen zijn…’
‘Ik zou jouw onzekerheid kunnen zijn!’
‘Ik zou jouw onrust kunnen zijn!’
Ze begonnen nu door elkaar te praten, tolden om elkaar heen en bleven uitspreken wat ze van elkaar konden zien, sneller en sneller, tot ze elkaar niet meer konden verstaan en bijna omvielen van het draaien. Toen greep ze zijn handen. Langzaam minderden ze vaart, en toen hun laatste zin gezegd was stonden ze doodstil tegenover elkaar. Ze kneep in zijn handen, glimlachte een prachtige glimlach naar hem en fluisterde uitgeput ‘Simultania’. Toen liet ze zijn handen los, drukte een kus op zijn wang en trok haar capuchon over haar haren.
‘Dag Maarten.’ Nog een laatste glimlach van onder haar muts, toen begon ze van hem weg te wandelen. Haar stappen leken gewichtloos, hij keek haar na tot ze in het donker verdwenen was.
‘Dag Maya…’ fluisterde hij glimlachend. Toen spreidde hij zijn armen weer, zo wijd als mogelijk, en wierp een blik omhoog. Wat hij nu voelde was met geen pen te beschrijven.
Met zijn hoofd in zijn nek tuurde hij naar de twinkelende sterren. Waren ze nog steeds onbereikbaar? Hij lachte en strekte zijn hand uit in de lucht. Hij voelde dat hij slingerde, maar wilde graag nog even dronken blijven. Ook een beetje van drank, maar vooral van opwinding en misschien wel van geluk over wat hem overkomen was. Of kon je beter zeggen dat het haar was overkomen? Hij grinnikte.
Op het moment dat hij struikelde zei hij hardop “Stel je niet zo aan”. Hij ging recht lopen, versnelde zijn pas tot doelgericht en richtte zijn blik op de straat in aantocht, waar het wel druk was, zodat aanstelleritis niet onopgemerkt zou blijven.
“Wat een vrouw,” dacht hij. “Gek mens,” dacht hij ook. Hij stak zijn handen in zijn zak en overdacht wat hij straks in kleermakerszit bovenop zijn bed, gewapend met kroontjespen, in zijn boekje achter haar naam zou kalligraferen.
“Haar woord natuurlijk,” dacht hij. Vervolgens dacht hij “Ons woord” en vond dat best goed klinken.