Welkom in mijn geest!

Wandel rond, kijk om u heen, neurie een melodietje,
ga op een gedachte zitten, blijf even stilstaan bij een verhaal
als u wilt – en laat eventueel een stukje van uw geest achter.
Want denken doet geen zeer, toch?
 
(Voor de duidelijkheid: zo schrijf ik wat ik schrijf.)
 
egeltjegrey.jpg
En vergeet niet: ruilen kan altijd! Graag zelfs.

*Meneer Kouter

“Deze mandjes winnen de schoonheidsprijs ook niet echt he? In de supermarkt hier verderop, dáár hebben ze pas goede mandjes, en nieuw hè, spiksplinternieuw, helemaal van kunststof, en lichtgewicht, ongelofelijk. Deze zijn al helemaal verroest. En zwaar.” De vrouw naast hem glimlachte, zei dat ze niet zo’n mandjeskenner was, en liep het gangpad in. Hij wandelde op zijn gemak erachteraan.

Bij de papierwaren bleef hij staan. Willekeurig trok hij wat ordners van het schap, bekeek ze van alle kanten, zette ze weer terug. Hij tilde schriften op en wreef met zijn hand over het plastic van een bundel ruitjespapier. “Mooi spul hoor, hier. Met de schoolgaande kinderen kun je toch zo vijftig euro besparen op al dat spul, véél goedkoper dan bij V&D, maar even goed!” Het meisje in zijn buurt keek nieuwsgierig naar hem op, haar vader knikte en zei dat hij helemaal gelijk had. “Zie die klemmen maar eens, van de ordners. Dat is geen kattenpis, dat vertel ik je. Onverwoestbaar als je het mij vraagt.” De vader knikte beleefd, vroeg zacht aan zijn dochter of ze al gekozen had.

Verderop stonden de schoonmaakspullen, daar was het druk. “Iedereen heeft tegenwoordig zo’n Swiffer-stok geloof ik, verdomde handig, die dingen. Maar die naam? Ik had hem Zoefer genoemd, omdat het zo snel gaat, hahaha!” De twee dames naast hem lachten mee. Een van hen vertelde dat ze niet meer zonder zou kunnen, dat de stofzuiger bijna overbodig was nu in haar huis. “Ja dat klopt, maar een pak suiker over de vloer, daar kan zo’n Swiffert niet tegenop natuurlijk. Doe die stofzuiger nog maar niet de deur uit!” Hij knipoogde en wandelde verder.

In een schap op de hoek lagen allemaal stenen vogeltjes. Hij pakte er eentje op, bekeek het gedetailleerde verfwerk van dichtbij. Naast hem zei een jonge vrouw tegen haar vriendin dat ze moest komen kijken naar die leuke vogels. “Ze zijn ook echt mooi hè? Ik neem er denk ik ook een paar mee. Die kun je op de vensterbank zetten, of eigenlijk overal, staat hartstikke leuk.” De twee dames beaamden zijn woorden, een van hen antwoordde dat ze zo echt leken. “Heb je hem al opgetild? Zwaarder dan je denkt. Daar zit geen gat onderin, die zijn helemaal massief.” Hij zocht er vier uit, twee gele en twee bruine. De dames legden er ook een paar in hun mandje.

Bij de sokken hield hij weer halt, keek in de vakken of er nog donkergroene waren. Naast hem zocht een man een bundeltje sportsokken in de goede maat. “Die gebreide, daar heb je lang profijt van. Warm in de winter, en de hele herfst ook te dragen. Goed spul ook, honderd keer gewassen en de rek is er nog lang niet uit!” De man naast hem knikte, zei dat hij helaas allergisch was voor wol. “Zonde hoor, je weet niet wat je mist.” Hij zag achterin nog een paar groene liggen en liet ze snel in zijn mandje verdwijnen. “Sport je dan ook?” De man keek hem verward aan. “Ja, ik bedoel, er staat toch op dat het sportsokken zijn!” Vervolgde hij zijn grap. “Dan moet je wel naar je werk joggen hè, als je die aanhebt!” Hij grinnikte voldaan. De man glimlachte naar hem, zei dat hij werkelijk iedere dag met de fiets naar zijn werk ging. “Zo zo, een uitslover.” Hij knipoogde en tikte tegen zijn pet voor hij verder liep.

Bij het badschuim en de douchegels hield hij nog even halt. Terwijl hij zocht naar zijn vaste product, stond een vrouw naast hem in een soort sponzen te knijpen. “Wat een rare sponzen zijn dat, lijkt wel een roos van gaas!” De vrouw grinnikte, zei dat dit sponzen om te scrubben waren, puffs genoemd. “Skrubbelen? Wat is dat dan?” Ze legde geduldig uit dat deze dingen je dode huidcellen verwijderden, dat het lekker fris voelde na gebruik. “Dode huid? Mijn lieve kind, dan zou er bijna niets meer van me overblijven!” Hij bulderde door de zaak. “Vijftig jaar geleden had ik daar wat aan gehad, maar nu is het te laat!” Ze grinnikte met hem mee, zei dat dat toch zeker nog wel meeviel. “Skrubbel jij maar goed, dan blijf je er lang zo jong uitzien.” Ze glimlachte, hij dacht haar zelfs een beetje te zien blozen.

Bij de kassa’s stonden geen klanten, hij kon zo doorlopen. Achter de lange toonbank stonden drie kassières met elkaar te praten. Hij ging voor één van de kassa’s staan en zette zijn mandje neer. Hij wachtte even, maar de drie waren druk aan het overleggen waar de nieuwe vracht naartoe moest en merkten hem niet meteen op. “Jongedames!” Hij rechtte zijn rug en wachtte tot hij hun aandacht had. “Dat is typisch vrouwen, dat staat altijd maar te babbelen en te babbelen, daar is geen woord tussen te krijgen!” Een van de meisjes was naar de kassa gelopen en verontschuldigde zich terwijl ze zijn spullen begon te scannen. “Wijlen mijn vrouw was precies zo: nooit een momentje rust en het schoot ook niet op, boodschappen doen was op iedere hoek babbelen met alle buurvrouwen. Ik zeg het je, vrouwen, die staan nooit zonder woorden. Altijd een weerwoord klaar! Heb ik gelijk of heb ik gelijk?” Het meisje lachte en zei dat hij wel eens gelijk kon hebben. “Doodvermoeiend, dat vrouwvolk!” Hij nam zijn portemonnee en knipte hem open. “Wat is de schade vandaag, jongedame? Stop alles maar in een zakje, dat ik maar snel de rust kan opzoeken!”

*Tobor

Laatst kwam ik op een of andere Amerikaanse online shop terecht, waar ze allemaal leuke hebbedingetjes en kleding van kleine zelfstandigen verkopen. Ik neusde rond en vergaapte me aan al het moois en soms ook raars. Zo kwam ik op een gegeven moment terecht bij een klein robotklokje. Zo’n dingetje dat je om je nek hangt, en waar een mini analoog klokje in zit. Ja! Hebben! Zoals ze dat zo mooi in het Engels kunnen zeggen: This little thing had Wenz written all over it.

Niet alle Amerikaanse shops verzenden spullen naar Europa, dus dat ging ik eerst maar even uitzoeken. Klik en klik en doorklik, en daar was alle informatie. Ze verzenden wel, joepie! Helaas wilden ze ook maar al te graag winst maken. Om mijn kleine robotje te verzenden, moest ik naast de vijfentwintig dollar die het ding kostte, ook nog eens tweeëntwintig dollar verzendkosten betalen volgens hen. Ruim vijfenveertig dollar voor zo’n hebbedingetje, dat ging mij toch echt te ver. (Mede omdat ik weet dat de verzendkosten hoogstens twee euro zijn voor vergelijkbare kleine frutsels die ik in het verleden besteld heb.)

Goed. Toen begon de zoektocht dus. Alles heb ik in Google ingetypt, van ‘Necklace robot watch’ tot ‘Little robot chain clock’. De schaarse resultaten die ik kreeg waren veelal niet wat ik zocht, en als het al eens echt om een robotklokje ging, dan was het gifgroen en van plastic, of iets anders afgrijselijks. Maar na veel gezoek en geklik kwam ik terecht op de nationale marktplaats, het omstreden Ebay. Daar zat een friemel- en frutselverkoopster, helemaal vanuit Hongkong.  De lieve schat had mijn robotje! Zilverkleurig nog wel! Goed, er zat een goedkope flutketting bij, maar dat is te vervangen. En de prijs? Een belachelijke tweeënhalve dollar. Verzendkosten inbegrepen. Ik knipperde met mijn ogen en werd eventjes achterdochtig. Had ik het verkeerd gelezen, was het helemaal niet zo’n zelfde robotklokje, stond er een fout? Nee, wat voor mij een belachelijk laag bedrag lijkt, blijkt voor hen een prima prijs te zijn. Dan was er alleen nog de kleine kans dat ik nooit iets zou ontvangen. Maar voor die paar euro nam ik dat risico zonder twijfel.

Ik maakte een account aan en kocht mijn felbegeerde ‘Silver Robot Necklace Chain Pocket Watch Keyring Clock’. En toen moest ik natuurlijk nog geduld hebben, want zijn reis kan zomaar een kleine maand in beslag nemen. En wie mij een klein beetje kent, weet dat ik dan dus bij wijze van spreken iedere dag voor de brievenbus lig, hoopvol en ongeduldig, ‘lief robotje’ murmelend tot het ding eindelijk hier aankomt. Ahum. Maar mijn wachten werd beloond! Na tweeënhalve week plofte hij op mijn deurmat.

En nu heb ik hem al bijna twee weken ieder dag om mijn nek, het klokje blijft het prima doen, de armpjes zijn er niet afgevallen, je kunt er uren mee spelen, kortom: ik heb een nieuw vriendje! Binnenkort zal ik hem een waardige ketting geven, een upgrade zeg maar, naar eliterobotje.

Mag ik vol trots aan u voorstellen: Tobor*, mijn robotje!

*Kleine zij hier in huis stond erop dat het dingetje een naam had, want haar giraffe-oorbelletjes hebben ook namen: Gieffie en Gaffie. Dus. Vandaar. Ik kon niet achterblijven. Nu praten de drie wezentjes geregeld met elkaar, en dat is toch gewoon hartstikke menselijk? Nou dan.

*En nu moet er nog eens iemand beweren dat wij dezelfde taal spreken…

“Knappe debardeur met rolkraag”

“Aanstekers in geel met rood maat 38″

“Truitje met uitgefitselde rand onderaan”

“Mooi golfje roos met witte mouwen”

“Knap kleedje met zijtirette”

“Leuk floere bloesje”

“In okergroen met glimmertjes”

Er gaat een compleet nieuwe wereld voor mij open, lieve dames en heren medebloggers en lezers. Ik duik in de tweedehands zoekertjes op de Belgische varianten van Marktplaats, en ik heb meteen het gevoel totaal geen idee te hebben wat er aangeboden wordt. Gelukkig maken foto’s wel wat duidelijk, en heb ik een fijne rasechte Belg tegenover mij aan tafel zitten die het een en ander kan ophelderen wanneer ik met vraagtekens in de ogen hoopvol een woord voorlees.

Dat een capuchon hier een kap heet, laarzen vaak botten worden genoemd, een jurk een kleed is en ‘is gebreden’ een volkomen aanvaarde voltooid verleden tijds-vorm van breien is, dat kon ik nog volgen. Dat bijna alle kledingstukken als ‘knap’ worden aangeprezen waar ik ‘mooi’ zou zeggen, lukt ook nog wel. (En dat ‘twee truis’ en ‘de kleding is gedraagt maar in goede staat’ niet representatief is voor het gros van de Belgen, dat is nog wel duidelijk.) Maar veel verder dan dat kwam ik toch niet.

Dan hier mijn stoomcursus dialect en spreektaal in deze contreien: een mouwloos shirt is een debardeur, instappers zijn hier aansteekschoenen, de kleur roze is vooral te vinden als roos en rose, een tirette is een ritssluiting en velours is in de volksmond ‘floer’. Okergroen deed me glimlachen, en het woord ‘uitfitselen’ voor een onafgewerkte naad die gerafeld is, vind ik eigenlijk gevoelsmatig helemaal kloppen. Was ik net gewend aan de Amerikaanse benamingen op Etsy, dat een vest een jumper is en een mouwloze trui (wat wij ook wel spencer noemen) een vest, krijg ik dit ook nog eens op mijn bord. Een ‘giletje’ heeft hier gewoon mouwen, is vaak gebreid, heeft knopen of een rits, kortom: staat bij mij te boek als vest, maar zoeken op ‘vest’ levert dan weer allerlei jassen en colbertjes op. Wat een ‘golfje’ is, is me nog niet helemaal duidelijk, maar veelal heeft het ook knopen of een rits, dus het lijkt me iets vest-achtigs … En ‘bloesjes’ levert werkelijk allerlei soorten truien, t-shirts en af en toe een verdwaalde blouse op (zoals ik hem ken). Pfff, ik heb het er maar druk mee. En dan kijk ik alleen nog maar naar het kleding-aanbod…

Mocht u ook nu dus ergens snel moeten inburgeren, neem dan deze tip van mij aan: lokale zoekertjes doen wonderen.

*Fade to black

Drie uur zesendertig. Opengesperde ogen. Al is het donker, toch weet ze dat het regent buiten. Ze luistert naar het tikken tegen het slaapkamerraam. ‘Kalmeer’ denkt ze. ‘Denk aan iets anders’ denkt ze. Het helpt niet, het afgrijselijke beeld van daarjuist staat haarfijn op haar netvlies gebrand.

Hij draait zich op zijn rug, diep in slaap. ‘Durf het’ denkt ze dreigend. Met ingehouden adem telt ze de seconden. Acht. Acht seconden voor de eerste grommende snurk aan zijn keel ontsnapt. Ze zucht, sleept zichzelf uit bed.

Op de tast loopt ze naar het krat met het kussentje erin, naast de verwarming. Ze hurkt en steekt haar hand uit. De zachte vacht is ook diep in slaap – kopje suf omhoog om de aaien van haar hand te vangen. Zachtjes spinnen, uit de maat met het snurken achter haar, maar ach.

Het beeld vervaagt eventjes, ze glimlacht naar het warme lijfje onder haar vingers. Pats, daar is het weer, dat gruwelijke beeld. Ditmaal nog heftiger dan eerst, alsof de kleuren dieper gemaakt zijn, de textuur grover is en de camera inzoomt voor een close-up. Haar maag draait zich om.

‘Weg hier’ denkt ze, en loopt zachtjes de slaapkamer uit. Ze graait een broek en trui van de badkamer, wandelt de trap af. ‘Iets praktisch’ denkt ze, ‘en een kop thee’. Er moet nog een tas ingepakt worden. Terwijl de waterkoker pruttelt en borrelt, zoekt ze de spullen her en der bij elkaar. Het gekraak van de plastic zak doet haar ineen krimpen; in nachtelijke rust klinkt alles oorverdovend luid.

Terwijl ze het theezakje in het water doopt, roept ze voorzichtig het beeld op. Ja, het is al iets minder erg. Ze stelt zich voor hoe het wegdrijft, afstand neemt van haar gevoel, de nacht in terwijl het langzaam uiteen valt in losse pixels. ‘Ga maar’ denkt ze. ‘Ik wil je niet’ fluistert ze.

Het internet slaapt nooit. Ze leest hier en daar, het voelt raar. Haar ochtendritueel van sites midden in de nacht aflopen lijkt niet te kloppen. De regen lijkt niet onder de indruk, die gaat onveranderd door. Terwijl de thee afkoelt, vervaagt het beeld verder. Langzaam sijpelt het uit haar systeem, zoals dat gaat met nachtelijke tragedies in droomvorm.

De eerste gaap breekt weer door. Ze weet dat ze nog eventjes moet wachten, het beeld ligt nu op haar plek onder de deken nog te treiteren. Ze kijkt de kamer rond op zoek naar nog een klusje om haar voeten weer stevig op de grond te krijgen. Verse brokjes, die handschoenen kunnen richting kapstok, en die stapel leesvoer ordenen.

Ze drinkt haar laatste slokken thee. Tijd om schoorvoetend de trap op te gaan, de nacht terug in te stappen. Een muziekje voor de afleiding, een por tegen het snurken, een zucht tegen de klok. Dat het maar snel licht mag worden.

*Vergeef mij mijn bestaan

Ze staat voor de kapstok. Nee, daar staat ze nog niet, ze zit nog op haar stoel, achter haar computer. Maar in gedachten staat ze er al, te kiezen welke jas ze aan zal doen. Ze weet precies wat er hangt, al haar shawls en vesten en jassen, en zelfs welke bovenop hangen en welke weggemoffeld zijn achter anderen. Ze wil haar stoere jas aan, maar zal dat niet doen. Daar is het de dag niet voor. Nee, dat denkt ze niet, ze denkt: daar is het de stad niet voor. Maar eigenlijk weet ze wel dat dat onzin is, vorige week was het er wel de stad voor. Het ligt aan mijn stemming, denkt ze. Nee, dat denkt ze pas later, achteraf, wanneer ze allang weer binnen is en haar jas alweer aan de kapstok hangt.

Wanneer ze de voordeur opent, loopt er net een jonge vrouw langs. Sorry, denkt ze, dat ik je liet schrikken, denkt ze, dat er net een deur openvliegt op het moment dat jij dicht langs de huizen loopt, denkt ze. Misschien schrok ze wel helemaal niet, spreekt ze zichzelf verplicht toe. Ze sluit de deur en loopt de hoek om. Een man loopt haar tegemoet. Ik zie er niet uit, denkt ze. Nee, dat is niet waar, ze denkt: die man vindt mij lelijk. Hij nadert. Zie maar, hij kijkt niet eens mijn kant op. Wanneer ze elkaar passeren ziet ze dat hij ouder is dan ze op het eerste zicht dacht. Zijn haren vallen nonchalant over zijn teruggeweken haarlijn. Hun blikken kruisen, heel kort, nietszeggend.

Het zebrapad, ze staat er nu recht voor. Een rij auto’s. De eerstvolgende remt niet af, vliegt langs haar. Eikel, mompelt ze. Nee, ze mompelt nooit, dus ook nu niet. De tweede auto stopt netjes, de bestuurder maakt het bekende waai-gebaartje met haar hand boven haar stuur. Ga maar. Glimlach. Ze steekt over, glimlacht terug terwijl ze knikt. Nee, ze knikt niet, ze steekt even kort haar hand op. Dank u. Aan de overkant de bank binnen wandelen. Er zit een dame aan de balie, ziet ze door de glazen deur. Wat vervelend, denkt ze, ik moet helemaal niet bij haar zijn, maar enkel bij de pinautomaat meteen binnen in de hoek. Als ik de deur open denkt ze een klant te hebben. Zal ik haar nu juist wel of niet aankijken? Eerst niet, dan wel. Ze opent de deur, blik op de klink. Ze sluit de deur, draait zich om en werpt een snelle blik op de dame. Die kijkt niet op of om, gaat niet eens rechtop zitten, steekt haar nagelvijl niet eens weg. Ik besta niet, denkt ze. Nee, zo dramatisch doet ze niet: ze merkt me niet op, denkt ze, die ziet waarschijnlijk honderd mensen per dag naar de pinautomaat lopen. Pas wanneer ze de gang rechtdoor wandelen, gaat de nagelvijl in het bovenste laatje.

Dahag, denkt ze, wanneer de glazen deur achter haar in het slot valt. Fijne dag nog, denkt ze. U ook, denkt ze. Er hangen twee jongemannen op een bankje, naast de glasbak. Ze voelt eventjes de verplichting naar ze te kijken, gecombineerd met de tegenzin contact te moeten maken om erger te voorkomen. Dan ontspant ze: dit is een ander land, een andere stad, een andere wijk. Ze roepen me niks lelijks na wanneer ik ze negeer. Nee, zo gaat het niet echt. Het is meer een onbewust verkrampen en weer loslaten, zonder de woorden die nodig zijn om het aan anderen te omschrijven. Een rudimentair gevoel van onveiligheid, meegenomen uit vervlogen tijden.

Het rode mannetje. Wachten op zijn groene onderbuurman. Een oude dame staat voor het fietspad te wachten. Een iets jongere dame, druk telefonerend, houdt halt naast de oude dame. Zijzelf loopt vier passen verder, tot voorbij het fietspad, naar het stukje stoep tussen de rode fietsbaan en de autoweg. De oude dame kijkt haar afkeurend na. Nee, dat kan zij helemaal niet zien, ze heeft geen ogen in haar rug. De kletsende jongere vrouw komt naast haar staan. Ze voelt zich meteen gesterkt, zie je wel, oud mens, iedereen doet dat hier. Groen. Oversteken. Een man komt de hoek om. Ze loopt iets trager. Hij sloft ook maar wat. Flut, denkt ze, nu lopen we in elkaars weg. Ik kijk wel even in die volgende etalage, denkt ze. Hij blijft voor de etalage staan. Ook goed, denkt ze. Hij loopt weer door op het moment dat ze hem zou passeren. Ze zucht. Nee, ze zucht niet hardop, maar rolt met haar ogen. Nee, dat is niks voor haar, ze trekt kort haar mondhoek op en zet er even flink vaart achter. Dat werkt gelukkig wel.

Zal de caissière beledigd zijn als ik haar plastic tasje afsla en de spullen in deze tas erbij stop? Ze hoort haar baas van ooit weer praten: geef de tassen met logo mee, dan maken ze reclame op straat. Op de toonbank plakt een briefje: ‘Wij vragen een bijdrage van 10 cent voor onze plastic tasjes om het milieu te ontzien’.  Dan zullen ze het vast niet erg vinden, denkt ze. Nee, dat denkt ze niet, ze denkt: zullen ze dan nog balen dat ze tien cent minder inkomsten hebben als ik mijn eigen tas gebruik? Ze betaalt en steekt de spullen in haar tas. Niemand trekt een geweer, niemand begint te huilen.

Ze loopt naar huis. Ze is zo moe. Zo leeg, zo vol. Ze steekt de sleutel in de deur, eindelijk, veilig binnen. Jas aan de kapstok, tas op de vloer, ploft op haar stoel, leest iemands blog. Ze bekijkt haar eigen reactie van eerder die dag nog eens. Daaronder commentaar van de schrijver. Bedankt, lieve woorden, je bent zo lekker impulsief. Haha, denkt ze.

Nee, dat denkt ze niet. Treurig kijkt ze naar het scherm en steekt een sigaret op.

*De gevlogen vogel

Daar lag het opeens, glashelder op de vloer. Een vogeltje. Echt een klassiek vogeltje. Snaveltje, lijfje, sierlijke staart. In mijn douchebak.

Nu niet meteen denken dat er in België vogels in de leidingen zitten, dat is niet het geval. Ik had simpelweg gedoucht en de druppels en poeltjes water in de douchebak bleven liggen in de vorm van een vogeltje van zo’n centimeter of tien. Een doorzichtig vogeltje en profil. Maar toch zo opvallend vogelig, zo onmiskenbaar vogelbaar, zo zonder twijfel vogelachtig, dat ik dacht: hee, daar maak ik een fotootje van.

Dus moest ik even mijn camera halen. Toen ik terug kwam, was mijn prachtige vogeltje gereduceerd tot een soort van lompe kiwi, de uitgestorven variant dus. Zonder staart en met een slurfje als snavel. Gewoon een plasje water dus eigenlijk, met een uitloper. Dat had ik natuurlijk kunnen weten, mijn kattekopje Kaia heeft namelijk de gewoonte om na mij de douchecabine in te wandelen, om daar de plasjes van de vloer te likken. (Alsof in haar waterbakje niet evengoed lauwwarm water zit. Maar ach.) Dus tja. Mijn kat had de vogel opgelikt.

Nu vond ik het – universumgewijs – dan toch wel aardig wat er vanmiddag gebeurde. Een merel of kraai had ergens in een naburige tuin een bijna leeg voernetje opgepikt, u weet wel zo’n vetbolletje dat uit elkaar gepikt is maar wel nog in dat groene netje zit, en liet dat, alsof het een script volgde, precies bovenop mijn golfplaten dak vallen. Op de veranda dus. Dat is een mooi woord voor in-de-jaren-negentig-met-golfplaten-overkapt-stukje-huis-tussen-twee-muren. Kortom: zo’n ding waar je weinig mee kan omdat het ijskoud en vervallen is.

Mijn kattekopje schoot door de kamer, vloog de veranda in en knalde haarzelf bovenop de kast die daar staat, om maar zo dicht mogelijk bij het tafereel te kunnen raken. Want jazeker: wel drie vogels zaten om het voedsel geschaard en hipten (met veel gebonk) over het dak, rukkend aan en smijtend met het begeerde netje vol voedsel.

En toen heeft ze dus een kwartier lang zitten miepen en ‘blaffen’ en draaien en ongeduldig zitten zijn om die beesten te kunnen bespringen. Maar dat gaat dus nogal lastig, vanonder dat dak. Strak van de adrenaline draaide ze haar lijfje rond op de kast, bij iedere hip van een vogel meer gefrustreerd dat ze er niet bij kon.

Dus. Hoppa: het universum weer in evenwicht. Dat zal haar leren ooit nogmaals onschuldige watervogeltjes te verorberen.

Kaia-en-de-onbereikbare-vogels

*En de chocola is trouwens ook op.

Ik ben er dus nog. Dat u dat even weet.

Maar. Van die dingen. Een griep. (Of hoe ongelofelijk blij ik met neusspray kan zijn.) Een logee. (Of hoe een dame voor de derde keer haar beenspier kan scheuren en moet uitzieken.) Een bange kat. (Of hoe de meegebrachte logeerkat lekker door mijn huis banjert terwijl mijn eigen heldinnetje dagen niet onder het bed uit komt, tenzij met grof geweld de nodige overredingskracht.) Een huishouden. (Of hoe alles altijd maar doorgaat, ongeacht of dat nu uitkomt of niet.) Zinken kisten en lijkzakken. (Of hoe je je opeens verdiept in crematies en uitvaartverzekeringen omdat je realiseert dat je in het buitenland woont – hoe dichtbij het ook is – en er allerlei regels gelden voor vervoer van dode Wenzen aangezien het een beetje raar is je hele familie- en vriendenkring naar het buitenland te laten komen voor een crematie.) Creativiteit. (Of hoe je uit grote gummen stempels kunt snijden/ de naaimachine weer herontdekt wordt/ er klei bestaat die in je eigen huis- tuin- en keukenoven gebakken kan worden.) Stumble upon. (Of hoe de bizarre dingen van het internet aan je voorbij rollen alsof het de normaalste zaak van de wereld is.) Pakketjes aan de deur. (Of hoe je verdwaalt in de vintage-afdeling op Etsy en de meest bijzondere creaties uit bijvoorbeeld de jaren vijftig voor vijftien dollar kunt kopen.) Verdwalen. (Of hoe hoofdpersonen in romans bijna vrienden van je lijken en je zo graag wil weten hoe het met ze gaat.)

Ik ben er dus. En eigenlijk heb ik best tijd om te loggen. En eigenlijk heb ik ook duizend ideetjes om neer te pennen. Maar. Dat de gordijnen gewassen moeten worden, en je erachter komt dat je de roede moet losschroeven om die gordijnen in de wasmachine te krijgen. En je de ladder nodig hebt om daaraan te kunnen. En die ladder buiten in de sneeuw/regen staat. De antieke houten ladder. Dat je daarna dus spontaan de witte keukenvloer moet dweilen. En je dan ziet dat de anti-kras dingen onder de tafelpoten niet meer onder de tafelpoten zitten. Dat je dan in de kelder kasten overhoop moet halen om nieuwe te zoeken die wél nog plakken. Dat je dan ziet dat er nog een was in de droger zit. En trouwens, dat je vergeten bent vlees uit de vriezer te halen vanochtend. En… Van die dingen dus. Dat er opeens weer een week voorbij is waarin je eigenlijk bést tijd had om te loggen. Maar het er tóch niet van kwam. Dat je even het gevoel hebt geleefd te worden, in plaats van je leven te leiden.

Dat je je even niet helemaal op je plek voelt, zoiets, weet u wel. Niks ernstigs, maar toch.

dino-at-home

* Stijgende lijn

Sinds ergens in mijn twaalfde levensjaar begon ik mijn ogen op te maken. Oogpotlood, mascara, en soms oogschaduw. Laten we voor de zekerheid mijn dertiende jaar nemen. Vandaag ben ik ongeveer achtentwintig jaar en negen maanden. Dat wil dus zeggen dat ik al vijftien jaar en negen maanden mijn ogen zo goed als dagelijks opmaak. (Ja, ik ben een van die vrouwen die dus zonder oogmake-up de deur niet, onder geen beding, uit gaat.) (En ja, ik was een van die vroegrijpe tieners die – weliswaar met paars haar en piercings in het gezicht – op haar vijftiende al een stamkroeg had. Waar ik dan wel nog nooit tot na middernacht was gebleven, maar toch. Hoe dan ook: make-up hoorde bij mijn dagelijks ritueel, want ook op de weg naar school was er kans op loslopende leuke jongens.)

En snelle rekensom levert dit op: 15 x 365 plus 9 x 30 (plus 4 want sommige maanden hebben 31 i.p.v. 30 dagen)= 5475 plus 274 = 5749 dagen. Tel daarbij nog 4 schrikkeldagen op = 5753. Laten we er even voor het gemak vanuit gaan dat ik gemiddeld 3 dagen per jaar zo ziek in bed lig dat ik geen make-up op heb. 15 x 3 = 45.

Dus 5753 – 45 = 5708.

Al die tijd heb ik twee ogen gehad, die ik ook beide van een lijntje voorzag iedere dag. (Wat begon met paars en wiebelig – dat paste zo leuk bij mijn opa-model alternatieve pantalon -, naar zwart en dik – in mijn donkere tijd – , tot lichtbruin en subtiel vandaag de dag.) Dat brengt ons op 5708 x 2 = 11416.

Wenz'oog

Goed, ik heb dus welgeteld al elfduizendvierhonderdzestien keer een oog van een lijntje voorzien tot nu toe. (Om eerlijk te zijn, ik heb ook vaak vriendinnen van oogmake-up voorzien voor we naar de kroeg gingen, dus eigenlijk staat de teller hoger, maar laten we hier even van mijn eigen ogen uitgaan.)

Hoe kan het dan, lieve mensen, dat ik na een praktijkervaring van meer dan elfduizend keer – het zou toch niet misstaan op menig curriculum vitae – nog steeds van die ochtenden heb waarop mijn lijntje hopeloos buiten zijn oevers treedt en ik met één subtiel opgemaakt oog en één Manga-achtig, monsterlijk vreemd oog voor de spiegel sta?

Dit zou zomaar een onopgelost mysterie tot het einde der tijden kunnen zijn. Óf een doortrapte, met magie doorspekte verkoopstrategie van de producenten van wattenschijfjes.

Hm. Tja.

* 2010

En zo staat er alweer een nieuw jaar voor de deur. Twee-nul-één-nul, het ziet er zo rond en af uit, maar het moet echt nog beginnen.

Het afgelopen jaar was voor mij een jaar van niet enkel uit dat diepe, donkere, eenzame en angstige dal kruipen, maar zelfs weer met plezier naar buiten gaan, met een glimlach communiceren, met voorpret iets in de buitenwereld plannen. Tegenwoordig doe ik vrolijk mijn gordijnen open, word ik op straat begroet door mijn postbode, klets ik met de dame aan de kassa en fiets ik onverschrokken door dit Belgische land op weg naar waar ik maar wil zijn. (En als het regent, dan neem ik gewoon de tram. Alsof het niets is.)

Ik ben er nog niet. Dat voel ik. Ik heb nog steeds grenzen liggen waar er vroeger geen waren. Ik pieker nog altijd bij vlagen over nutteloze en oncontroleerbare dingen. Ik durf nog niet alles, maar wel al weer veel. Mijn hart is weer een beetje toegankelijk voor de buitenwereld, mijn ogen zien graag meer dan mijn eigen navel en de vier muren om me heen. Ik ben zelfs weer aan een studie begonnen! Een thuisstudie, maar toch – met de nodige sociale voorwaarden. Als iemand mij dat een dik jaar geleden had gezegd, was ik in een treurige lachstuip geschoten. Overigens ga ik deze studie nu alweer omzetten, van de HBO variant bij één van de twee grote thuisstudienamen naar de Open Universiteit. En stapje hoger, een stapje anders, maar hopelijk ook een stapje richting toekomst, en een stap waar de broodnodige communicatie wél soepel verloopt.

Maar goed. Ik ben er dus nog niet. Niet wat toekomstplannen betreft, niet wat mijn ideaalbeeld van mezelf betreft, niet wat het sociale vlak betreft. Maar ik ben vol vertrouwen en zal me in alle bochten wringen die maar haalbaar zijn voor mij, om het komend jaar voor mezelf een succes te noemen. Iets waar een ander zijn hand niet voor omdraait, is voor mij soms een schier onneembare berg. Maar dat maakt niet uit, ik zal klimmen en ploeteren tot ook ik weer mijn schouders kan ophalen over triviale zaken.

Lieve, mooie, prachtige lezers en medebloggers, wat ik eigenlijk wil zeggen is dit: ik hoop dat u net zoveel zin heeft in dit nieuwe jaar. Ik hoop dat u in de startblokken staat, monter en fris, klaar om de komende twaalf maanden bij de kladden te grijpen en zo te kneden, dat ze in uw voordeel werken. Ik ga in ieder geval mijn best doen om nog enkele grenzen te verleggen.

Kortom: ik wens u allemaal – ja u, stille lezer ook – en evengoed mijzelf een veelbelovend en positief…

2010Wenz

:)

* Inside

Prachtig ritmisch, en erg mooi. De storm en de stilte. De stemmen, de strijd, de façade.

Inside, van Trevor Sands.

*Taxidermisverstand

Nietsvermoedend liep ik door de explosieve drogisterij die we allemaal wel kennen van het rood met gele logo. (Tegenwoordig groen met rood in de nieuwste vestigingen trouwens.) Ik neusde wat tussen de niksigheden en onbenulligheidjes, tussen de dingen-waar-je-nooit-naar-op-zoek-bent-maar-die-je-wél-voor-een-euro-daar-kunt-kopen en andere kleinigheden. Eerst viel mijn oog op de stapel kalenders voor 75 cent. “Zo zeg” dacht ik, “dat is toch absoluut goedkoop, ze zijn nog in vrolijke kleurtjes ook.” Maar toen keek ik ietsje beter en zag ik dat de kalenders niet van 2010 waren. En ook niet… van 2009. Nee: ze waren van 2008. “75 cent?” dacht ik toen, “pfffff.”

Maar toen viel mijn oog op iets nog veel interessanter. Het leek van een afstandje op een bak vol bruingrijze bollen. Op een houten stokje. En ze kostten 1 euro 49 per stuk. Nieuwsgierig als ik ben naar bruingrijze klonten op een stokje, nam ik een kijkje. En wat blijkt? Na de pruimen, druiven en perziken, is het blijkbaar de normaalste zaak van de wereld om gedroogde mussen te verkopen.

Huh?

Jazeker lieve lezers: mijn lokale drogisterij verkoopt klaarblijkelijk dode beesten in verdorde toestand. Sterker nog: ik heb er bewijs van.

Gedroogdemussen

(En daarvoor ben ik tot 3 maal toe teruggegaan, om dit bewuste bordje op de foto te krijgen zonder dat een medewerker me eruit schopte. Mijn handlanger gaf mij dekking en ik ging gehurkt en gewapend met mijn mobieltje stiekem deze prachtige bewoording vereeuwigen.)

Natuurlijk waren het geen échte mussen, maar van die – weet ik veel – piepschuimen dingen beplakt met veren. Ook bij nadere inspectie door mijn handlanger, was er weinig mus in te herkennen en vooral veel bruingrijs. En dat stokje bleek een staart. De snavel was na veel turen te ontwaren, maar voor de zwarte kraaloogjes moest je diep in de veren peuteren om er ook maar de minste glimp van op te vangen. Pootjes, daar zwijgen we al helemaal over.

Musklont

Hoe dan ook: onze missie is volbracht. De klontjes voorzien van onvergetelijk onderschrift zijn een feit. Gedroogde mussen. Anderhalve euro. Dat u het even weet.

*Wat is het tegenovergestelde van voorspellen?

Ik had laatst een stapeltje nieuwe boeken gekocht. En nog een paar tweedehands exemplaren uit vervlogen tijden. Maar eerst moest natuurlijk mijn nieuwste aanwinst, ‘België-Nederland, verschil moet er zijn’ , uitgelezen worden. Ook al een aantal jaren uit, maar nieuw voor mij. Goed, alles prima, super boek trouwens, herkenbaar enerzijds en leerrijk anderzijds.

En toen begon ik dus aan een van de nieuwe boeken. ‘Gebroken’ heet het veelbelovende verhaal. Maar na de eerste twee pagina’s lag er een gapend wit gat voor mij. Ik sloeg de bladzijde om en daar waren de woorden weer. Ik hoopte nog even dat er gewoon een wit tweetal tussen geslopen was, maar helaas, er bleken echt twee volledige bladzijden van het verhaal te missen. ‘Ach,’ dacht ik, ‘ dat lukt nog wel, verhaalsgewijs, denk ik.’ Maar de pagina erna bleek ook volkomen blank. En die daarna dan weer niet. En zo miste ik dus tot twaalf keer toe twee volle bladzijden van het verhaal, iedere keer wanneer ik een pagina omsloeg, wisselden bedrukt en wit elkaar af.

Balen dus. Binnenkort maar terug naar de boekhandel (het was gelukkig een van de nieuwe boeken, niet een tweedehands exemplaar) om een kopie zonder ontbrekende bladzijden te bemachtigen. Ik zette mij over de teleurstelling heen en greep mijn volgende boek van de stapel, om daar vol goede moed in te duiken.

En nu weet ik dus zeker dat boeken humor hebben. Vraag me niet hoe dat werkt, zo onderling, interactie-gewijs enzo, maar dat volgende boek van mijn stapel, (dat overigens prima in orde is) dat heet dus doodleuk…

‘De ontbrekende bladzijden’.
Geef toe, dat is toch wel een glimlach waard.

*Opmerkzaam

De lichten waren uit in de kleine woonkamer. De houten salontafel, zijn uitgezakte fauteuil, ooit bordeaux rood maar nu een onbestemd donker, de kleine cd-kast aan de linkerwand, de grote logge kast, een erfstuk, aan de rechterkant. Hij kon zijn spullen dromen in de ruimte. Nooit botste hij tegen hoeken of poten, feilloos wist hij bij het doorgaans zwakke maanlicht zijn weg.

De gordijnen, de grijs met blauw gestreepte zware dingen, altijd en eeuwig half dicht. Dan valt het niet op, had hij geredeneerd. Dag en nacht, zijn gordijnen bleven in positie, al bijna drie jaar nu. Half tien, en al aardedonker buiten. Hij had een hekel aan de zomernachten: soms wel tot half één ’s nachts bleef het licht in de straat. Maar nu, in november, kon hij als het echt nodig was na zes uur al beginnen.

De muurkast in het halletje. Dan voorzichtig het gevaarte naar het raam brengen. In positie zetten, hij begon altijd bij zijn uiterste gezichtspunt, het eind van de straat, door de bocht nog net goed te bekijken. Daar woonde de vrouw in haar rolstoel. Strakke planning, kon je de klok op gelijk zetten. Kwart voor tien hees zij zichzelf in bed, daarvoor tanden poetsen en omkleden. Dan ging hij door naar het appartementencomplexje in het midden van de straat: de man met de twee Rottweilers, hij minstens zoveel tattoo’s als zijn dunne vrouw. Zij hadden niet eens gordijnen. Als zij een avond simpelweg voor de televisie doorbrachten, raakte hij snel uitgekeken. Schuin boven hen de alleenstaande moeder met twee tienerdochters. Altijd iets te zien. Rechtsonder het echtpaar op leeftijd, ze aten iedere avond om dezelfde tijd hun bakje yoghurt, aan de tafel bij het raam.

Naast het complex de twee mannen, een jaar of veertig, intrigerend. Altijd het rolluik van de slaapkamer dicht, jammer. Wel een goed zichtbare badkamer. Daarna draaide hij zijn telescoop een eindje, vol zicht op de woonkamer van de zakenman en zijn devote vrouw. De directeur stond soms voor zijn raam, staarde de nacht in. De eerste keren schrok hij zich wild, dook weg achter het gordijn. Maar hij kon niets zien, niets weten. Zijn woonkamer een zwart gat voor de overburen. Nu bleef hij ongegeneerd naar zijn onderkinnen kijken, hoe hij zijn sigaar rookte, hoe hij soms zelfs in zijn neus peuterde. Naast hem de woonkamer die bijna altijd donker was. Als er al eens leven was, zag hij mensen in en uit lopen, vreemden, nooit eerder gezien en zoals de ervaring leerde, ook nooit meer opnieuw.

En dan zijn lievelingshuis: de vrouw met haar kanaries. Uren stond ze voor de kooi, zodra de gele dingetjes een kik gaven liet ze alles uit haar handen vallen om haar aandacht op de beestjes te richten. Zelfs als de aardappels overkookten. Zelfs als ze telefoneerde. Ja zelfs als ze zojuist in bad gestapt was. Haar billen stevig, haar borsten klein maar mooi. Haar buik niet meer de strakste, maar een mooi lijf, zeker weten. Hij wist dat ze haar haren regelmatig blondeerde. Ze was gek op appels en had geen televisie. Wel een radio, aan haar bewegingen te zien. Kanaries hadden hem nooit kunnen interesseren, maar voor deze drie voelde hij niets dan dankbaarheid. Er kon zo een uur voorbij gaan wanneer hij haar volgde. Soms stelde hij zich voor dat hij op haar bank zat, naast de kooi. Dat ze tegen hem praatte, voor hem paradeerde, kookte, danste.

Hij schrok wakker van de bel. Het licht probeerde zich al een weg te banen door zijn lamellen. Hij stond al naast zijn bed, verward. Shirt, broek. Nogmaals de bel. Naar de voordeur, de sleutel van de muurkast routineus in de zak van zijn regenjas aan de kapstok laten glijden. Hij schrok van de bel die opnieuw rinkelde. De voordeur op een kier, vragende blik. Daar stond ze. Hoe laat zou het zijn? Negen uur? Elf uur? De ochtend al voorbij?

‘Voor jou, om je te bedanken.’ Hij woelde snel door zijn haar, ging rechtop staan. Hij keek naar wat ze vooruit stak. Een papieren zak met een koordje, een fles wijn waarschijnlijk. ‘Ehhh…’ ‘Pak aan, alsjeblieft! Namens nummer 12, 14 en 16. Zonder jou waren we er niet meer geweest tenslotte, dit is het minste wat we kunnen doen.’ Hij begreep er niets van, stak voorzichtig zijn hand uit. ‘Sorry, maar waar…?’ ‘Vannacht. Ik had niets gemerkt hoor, vaste slaper. Ze hebben zelfs mijn vogeltjes naar buiten gebracht. Jos van verderop wist dat jij het was die had gebeld. Super hoor, echt ontzettend bedankt. Ook namens de anderen dus.’ Vannacht? Hij sliep enkel. Misverstand. Maar zij. Bij hem aan de deur. Misschien het begin? ‘Ja… ach ja, ieder ander…’ ‘Nee nee, jij was het die de brand opmerkte, niemand anders. Bij de heg van de buren begonnen, zeiden de brandweermannen. Net op tijd erbij, anders hadden ze geen huis meer gehad. En wij ernaast… Nogmaals, echt duizend maal dank. Als ik ooit iets terug kan doen, laat het maar weten. Doen hè?’ Haar grote glimlach. Hij knikte, vals bescheiden, een glimlachje. ‘Doe ik. Graag gedaan hoor, het was niets.’

*Zo kun je weer even vooruit

Laatst kocht ik in een of andere bouwmarkt zo’n volkomen overbodig grappig notitieboekje, zo’n dingetje dat volledig uit verschillende afmetingen en kleuren memo’s bestaat. Dan kan ik fijn weer lijstjes maken van alles wat ik moet moet moet wil doen, en ik heb meteen lelijke knalkleurige stripjes om in mijn dikke studieboek te plakken, op plekken waar informatie staat die nog niet in mijn hersenen opgeslagen ligt.

memootjes.jpg

Studieboek? Jazeker. Ik ben dus weer aan een studie begonnen. En thuisstudie dan wel. Maar mét officieel diploma na een aantal jaren studie en de nodige praktijkstages. En dat studeren, dat bevalt me wonderwel. Maar het hele geregel eromheen, dat is nog een ander verhaal. Een online studieomgeving die door een stel hersendode regenwormen in elkaar gezet lijkt, inschrijvingsformulieren die minstens zo ondoorzichtig zijn, mentoren die nooit op mails reageren, examendagen die volgeboekt zitten en lokaties die verspreid over een heel land liggen. Maar ik ga ervoor, en met de  erger je rot en scheld tegen alles wat los en vast zit stap voor stap methode kom ik er vast wel.

studie.jpg

Maar tussen dat fulltime studeren door bestaat er ook nog zoiets als het dagelijks leven. En behalve huishouden, boodschappen doen en andere verplichtingen zijn er natuurlijk ook nog de vrienden, vriendinnen en huisgenoten die zo hun aandacht behoeven. Niet alleen loop ik hopeloos achter met mails beantwoorden, (S. en D. en R. en P. en O. en A. ik mail jullie echt binnenkort terug!) ook heb ik hier een Lief dat over anderhalve week een knie-operatie krijgt en een kleine maand uitgeschakeld zal zijn wat fietsen, autorijden en zelfs lopen betreft. Terwijl hij op krukken de trap af lazert door het huis strompelt en fysiotherapie doet, zal ik als een chagrijnige opgefokte vliegende duizendpoot alles draaiende houden hier.

En dus is de hel losgebarsten stress deze week officieel toegeslagen. Om de schade te beperken ga ik vrijdag een weekendje vriendin-opzoeken tegemoet, gevolgd door een dagje boeken neuzen, om dan komende maandag weer met frisse tegenzin ertegenaan te gaan hier. Het plan is om de laatste vier hoofdstukken van mijn boek af te hebben tegen de tijd dat mijn Lief onder narcose gaat, zodat ik tijd genoeg zal hebben om me op mijn eerste examen voor te bereiden. En de drie verdiepingen huis (voor de puinzooi die wij kelder noemen sluit ik voorlopig even mijn ogen) grondig schoon te hebben zodat ik daar de komende weken niet al te veel mee bezig hoef te zijn. En aangezien ik geen rijbewijs heb, ben ik nu al druk bezig regendansen* onder de knie te krijgen zodat de ritjes op de fiets om de kleine dame hier naar haar school/danslessen/pianolessen/wat dan ook te brengen, hopelijk overwegend zonder ontplofte kroeskop droog volbracht kunnen worden.

Maar tussen alle gedoe door, wist die kleine dame me zowaar nog te strikken voor een middagje tekenen. Dat was al veel te lang geleden! Geen idee wanneer ik er verder aan ga werken, de ideeën zijn er in ieder geval…

lady_in_aanbouw.jpg

nog_steeds_in_aanbouw.jpg

Goed. Ik heb het dus druk.

Oh, en natuurlijk levert mijn gestres nog wel de nodige stommiteiten op. Zo draag ik een van mijn ringen opeens aan de andere hand omdat ik tegen een plank knalde in mijn haast de was op te bergen waardoor mijn wijsvinger een wondje, een bult en een blauwe plek heeft. Ook bestelde ik oorbellen in Engeland in verschillende maten, die ik vanochtend binnenkreeg. Mijn blijheid was snel vervangen voor hoongelach ergernis toen ik merkte van alle maten maar één exemplaar te hebben besteld in plaats van twee. En hoe vaak ik deze week al op de staart van mijn kattebeestje ben gaan staan, dat wil ik niet eens weten. Oh, en als je een molure op het plafond vastlijmt, kijk dan even goed uit of je geduw om het ding aan te drukken niet resulteert in het verschuiven van datzelfde ding waardoor je een berg lijm over het plafond smeert. Het is maar een tip hoor.

Hoe dan ook: tot snel weer! Mijn to-do-lijst roept…

*Ongelofelijk. Mijn spellingchecker kent het woord regendansen niet, maar geeft wel enthousiast de suggestie ‘negerdansen’…  

*Over de kop

Drieënveertig. Het is nog geen twee uur in de middag en ik zit nu officieel op drieënveertig niesen. Of niezen, het is maar wat u prefereert. Stonden de afgelopen dagen in het teken van keelpijn en droge hoest, vandaag pakken we het helemaal anders aan: het is genies wat de klok slaat. Terwijl ik zit, genies. Terwijl ik de was opvouw, genies. Terwijl ik brood smeer, een boek lees, een broek herstel, mascara opdoe of een telefoontje pleeg: genies, genies en nog meer genies. Oneindig genies.

Nu heb ik natuurlijk al vaker een flinke verkoudheid gehad. Loopneus, watten in je hoofd, de wereld van veraf horen, u kent het wel. Ook heb ik al vaker een lichte allergische aanval gehad. (Ik ben namelijk best een beetje allergisch voor kattenhaar, en toch heb ik een kat. Zolang ik maar niet na een aai-sessie met mijn handen aan mijn gezicht zit maar ze meteen onder de kraan houd, is er niets aan de hand. Aan de neus, dus eigenlijk.) Zo’n reactie bestaat uit geïrriteerde ogen en een korte periode van ongecontroleerde niesaanvallen.

Welnu, ik denk dat mijn hoofd vandaag in het teken van integratie staat. Dat wattengevoel, dat is er dus. En dat ongecontroleerde niesen dus ook. En dat terwijl ik toch echt mijn voorhoofdsholte niet dicht heb zitten, en evenmin mijn kat heb geaaid. (We zitten trouwens onderhand al op zevenenveertig, for the record.) Nu vind ik het normaal gesproken van goede inzet getuigen wanneer er flink geïntegreerd wordt. Integreer er maar een eind op los, zeg ik altijd maar. Of het nu gaat om computerprogramma’s, culturen of inzichten, ik ben er veelal voor te vinden. Mits je natuurlijk de eigenheid van de onderdelen behoudt, en het geheel meer oplevert dan de losse delen. Maar dit stompzinnige en – zover ik kan beoordelen – volkomen zinloze genies, dat vind ik dus totaal onnodig.

Niet alleen moet ik de hele dag mijn activiteiten onderbreken om mijn hoofd weg te draaien van wat het ook is dat mijn aandacht behoeft (of stilstaan als ik net met een kop thee door de kamer loop), om dus zo’n onzinnige nies de ruimte te geven, ook valt er niets te verwijderen uit mijn neus, ook al denkt mijn neus daar anders over. Tenzij het natuurlijk zo is, dat vier luttele dagen grieperig zijn in een oud huis automatisch betekent dat het stof zich zo hoog opstapelt wegens uitgestelde huishoudelijke rotklusjes, dat ik een hoogpolig tapijt bouw met iedere inademing die plaatsvindt. Misschien dat de stofmijten ál hun vrienden en familie hebben uitgenodigd om in huize Wenz een dagje pretpark te houden. (Achtenveertig.) Dat ze mijn neus ingehuurd hebben als soort van achtbaan, en ze keer op keer op de voor mij onzichtbare hendel drukken die een karretje vol huisstofmijten lanceert die hen de dag van hun leven bezorgt met deze luchtstroomritjes. Dat ze door mijn neus buitelen en vliegen en overal hun jasjes en handschoenen achterlaten. En dan lachend weer achteraan in de rij sluiten voor de volgende ronde.

rotzakken.jpg

Nou, dat vind ik dus best stom. Van die stupide rotzakken met hun domme hobby’s. Daar sta ik boven. Daar haal ik mijn neus voor op.

*Fabrieksinstellingen

Hier in huis woont zo’n exemplaar Man dat iedere baby prachtig vindt, bij iedere kleuter vertederd glimlacht en met alle kletsgrage kinderen in gesprek gaat. Daarnaast woont er hier dus zo’n Vrouw, afkomstig uit een speciale uitgave, ik zou nog net niet collectors item roepen, maar u begrijpt het idee. Deze vrouw staat dus wat sullig naar baby’s te kijken, ergert zich aan schreeuwende kleuters en probeert wanhopig over neurotransmitters te praten met verdwaasde zesjarigen. Waar die Man het idee ‘Hoe meer kinderen, hoe meer vreugd’ aanhangt, komt die Vrouw niet verder dan ‘Een kind krijgen? Buhhhvgrllblmpfh.’

Nu vraag ik me toch af of dat fabrieksgewijs wel zo handig gepaard is, deze twee exemplaren. Er staan tenslotte palets vol Vrouwen in de rij om de plug-in Man in de variant hierboven beschreven te bemachtigen. Een lawaai vanjewelste tijdens het uitzoeken, die ratelende eierstokken, maar te veel exemplaren met het dubieuze defect Geen Kinderwens, die ijskoud aan de kant gesmeten worden. En dan bekruipt die dungezaaide variant Vrouw toch zo nu en dan het beklemmende gevoel een horde woeste, kindgrage Vrouwen achter zich aan te krijgen als deze erachter komen hoe de vork precies in de steel zit. Er staat niet echt een houdbaarheidsdatum op de kindgrage Man, maar zo stilletjes de veertig naderend neemt de babyratio toch gestaag af, statistisch gezien.

Laat staan wanneer Vrouwen in de nabije omgeving een kind produceren. Dan kruist deze kinderloze Vrouw haar vingers achter haar rug en roept ‘Leuk!’ en ‘Schattig!’ terwijl ze zich ervan gewist dat de licentie voor haar add-on Spiraaltje nog niet verlopen is, en duimt ondertussen dat haar exemplaar Man niet op het bizarre idee komt spontaan aan te bieden op de kleine schreeuwlelijk te passen, of nog erger: met soppige ogen een peilende blik op haar te werpen in de vurige hoop iets te zien smelten in haar, om vervolgens met vereende krachten het bed in te kunnen duiken, in gedachten al over de gezwollen buik aaiend en de kinderkamer inrichtend. ‘Ga maar in een kinderdagverblijf werken’ grapt ze dan, de paniek onderdrukkend en hopend dat haar exemplaar haar niet zal deleten voor het gevreesde prototype Vrouw inclusief kinderwens.

En dan denkt ze maar snel ‘Ach, hij heeft al kindervoetjes op deze wereld trippelen, zo’n lijfje netjes halfvol genen van hem, hopelijk neemt hij daar genoegen mee’. En dan bibbert ze nog wat na en hoopt maar dat haar softwareprogramma Persoonlijkheid ondanks het ontbreken van de voortplantingswens toch aangenaam genoeg bevonden wordt om de verdere agenda mee te vullen.

*Stapelen

‘Misschien kun je beter even je mond houden,’ opperde ze bits, ‘je zegt toch niets nieuws.’
‘Misschien kun jij beter eens beginnen te praten dan,’ siste hij daarop, ‘aangezien je klaarblijkelijk het een en ander bent vergeten te melden de afgelopen tijd…’

Ze schrok. Waar had hij het over? Hij kon toch niet weten…? Ze fronste en probeerde te beslissen welke tactiek ze zou toepassen, als hij blufte dan moest zij… maar als hij al dingen wist, dan kon ze beter… Hoe dan ook moest ze nu snel iets zeggen, voor er teveel tijd overheen gegaan was.

‘Waar slaat dat nu weer op? Is het weer tijd voor cryptische opmerkingen in de hoop dat we van onderwerp veranderen?’ Verveeld geïrriteerd keek ze naar hem om.
‘Je weet wel wat ik bedoel. Ik ben niet dom, weet je. Goedgelovig misschien, maar blind niet.’ Hij wierp haar op zijn beurt een ijskoude blik toe. Zij probeerde zo nonchalant mogelijk te blijven. Ze voelde hoe ze haar spieren bewust moest ontspannen om zichzelf houding te geven. Ze zuchtte omstandig en keek hem met een opgetrokken wenkbrauw aan. ‘Waar heb je het in hemelsnaam over?!’ Terwijl ze de woorden uitsprak probeerde ze zichzelf in een staat van onschuld te krijgen, waarin ze in gedachten werkelijk niets te verbergen had. Dat werkte meestal erg goed, eerst jezelf overtuigen, en dan – bijna vanzelf – die ander.

‘Nou?’ baste ze ongeduldig, terwijl ze hem peilde. Ze zag zijn boosheid, maar toen, in een flits, ook de twijfel in zijn ogen. Een fractie van een seconde maar, maar duidelijk genoeg om te weten dat hij geen poot had om op te staan. Dit was haar kans. Nog voor hij iets kon zeggen trok ze haar reservoir beschuldigingen open en mikte op overrompeling: ‘Je zit maar wat te vissen, is het niet? Je hoopt dat als je me lukraak iets verwijt, ik spontaan allerlei diepe geheimen met je ga delen. Dat ik eigenlijk als man geboren ben, of nee, dat ik er drie andere relaties op na houd, of dat ik helemaal niet bij de bank werk maar een stripper ben, of al jarenlang alcoholist, of nee, laat me denken, wat kun je je allemaal in je hoofd halen, ja, dat ik eens per week bij je beste vriend in bed lig, of je vader, of mijn baas, verzin het maar, je hebt vast een machtig logische en onderbouwde theorie, is het niet?’ Ze kwam op dreef nu, en was niet van plan te stoppen. ‘Je hebt je vast in je hoofd gehaald dat er iets aan de hand is, god-weet-waarom, omdat we het de laatste tijd zo druk hebben dat we langs elkaar leven, of omdat we al een week of twee geen seks meer hebben gehad, of omdat je gewoon een excuus zoekt om moeilijk te doen, of nee, ik snap het al, omdat je het oudste psychologische trucje in de wereld wil uithalen, de schuld omdraaien, natuurlijk, je hebt zelf iets fout gedaan en wil nu koste wat kost je schuldgevoel verminderen, de rekening vereffenen door mij iets gelijkaardigs toe te schrijven zodat jouw misstap vergeven kan worden. Belachelijk, dit. Kijk je daar nu eens zitten, ik wil niet eens weten wat de aanleiding hiervoor was, als ik je ook nog maar een beetje leuk gezelschap wil vinden moeten we vooral niet verder hierop ingaan, bespaar het me, en jezelf ook, behoud je waardigheid voor zover dat kan, nu het nog enigszins mogelijk is te geloven dat je de moeite waard bent, dat je een redelijk intelligente vent bent en aardig in de omgang, ok, zullen we dat maar proberen?’

Ze zag dat ze hem murwgeslagen had en zette de eindsprint in. ‘Waar waren we gebleven vóór deze hele poging jezelf belachelijk te maken? Oh ja, dat je dus beter even niets kon zeggen, dat ik gewoon even niet in de stemming was om je eeuwig terugkerende wrevel nogmaals aan te moeten horen. Misschien dat mijn rijstijl een hot item blijft voor jou, maar ik heb alles bij elkaar wel al duizend keer gehoord dat ik verkeerd schakel. Je kunt onderhand wel weten dat ik dat niet ga aanpassen, na een jaar van zeuren en pushen zonder resultaat zou het leuk zijn als je erover ophield en accepteerde dat niet alles op jouw manier hoeft.’ Ze liet even een stilte vallen, maar hij leek niet van plan iets te zeggen. ‘Kan ik dan nu gewoon op mijn manier van het parkeerterrein afrijden zodat we nog op tijd bij de supermarkt zijn vanavond?’

Ze wachtte zijn antwoord niet af maar stapte met een opgelucht en zelfingenomen glimlachje op het gaspedaal.

*Flutzooi

Ik had een poëtisch filmpje in gedachten. Beetje vreemd, maar toch ook wel grappig. Op zich goed te doen, in gedachten dan. Ik had ook een touw nodig. Oh, en ik moest een paar keer van de trap vallen.

Lang verhaal kort: dat filmpje komt er dus nooit. Het blijkt enorm moeilijk om van de trap te vallen als je dat helemaal niet wilt. Je kunt je lijf gewoon niet dwingen. Maar toch heb ik het geprobeerd. En nog een tip voor de mede-sukkels onder ons: een nylon touw herhaaldelijk grijpen is geen goed idee.

Resultaat: twee gewiste filmpjes wegens niet om aan te zien, drie van deze exemplaren verspreid over evenzoveel vingers:

goreblaren.jpg

en een stuk of negen van deze wanstaltelijke centimeters grote dingen verspreid over benen, armen en rug:

smerigblauw.jpg
(Nee, dat ronde ding is geen afstervende huid maar een moedervlek)

Tja. Ik heb nu eenmaal wel iets over voor de creativiteit. Ahum. Als het resultaat goed was geweest, had ik dat beurse lijf wel voor lief genomen. Maar nu baal ik dus. Want geen filmpje, en geen geknutsel aan filmpje, maar wél spierpijn en blaren en blauwe plekken. Grmbl. Volgende keer maar de zonsondergang filmen vanuit een luie stoel.

*Vuurproef

Ik ben al weken op een schoenenquest. Meer precies: een laarzenzoektocht. En dan bedoel ik dus geen rubberen regenlaarzen. Ik heb zo aan de hand van allerlei speurtochten in mijn hoofd De Ideale Schoen gecreëerd en nu ben ik er dus van overtuigd dat dat leuke ding ook moet bestaan. Ik heb absoluut niet veel eisen hoor, helemaal niet. Ze moeten alleen een klein hakje hebben, beetje stoer zijn, cowboy- of juist elfenachtig, liefst donkergroen, om mijn kuiten sluiten, niet glimmen, wél van leder zijn en vooral: in mijn maat zijn.

Ik ben met mijn honderdtachtig centimeter lengte helaas ook gezegend met schoenmaat 41. Voor de gemiddelde vrouw is dat een grote schoenmaat. Ik word in winkels dan ook vaak afgescheept met een half rekje troep, waar andere maten twee lange gangen keus hebben. Op dat halve rekje staan dan alle sandalen, gympen, instappers, laarsjes en laarzen samen. En dan ook nog eens alle kleuren, stijlen en materialen door elkaar. De laatste jaren is het gelukkig al ietsje beter en kan ik in bepaalde winkels zowaar kiezen uit een ruim aanbod. Maar natuurlijk: te hoge hakken (toren ik al helemaal boven iedereen uit), te ruime beenwijdte (maat 41? dat zal dan wel een enorm gevaarte aan mens zijn met knallers van kuiten), te lelijk, te klassiek, te plastic, u raadt het wel. Daarenboven zijn die winkels dan ook vaak nog voorzien van laarzen die rond de driehonderd euro kosten. En dat vind ik dus een beetje vervelend.

In België is het nog erger dan in Nederland. In België lijken vrouwen op miraculeuze wijze nooit grotere voeten dan maat 40 te krijgen. En als ik dan al eens met tegenzin een schoenenzaak aandoe die geen fijne planken met op maat gesorteerde schoenen heeft, maar een modern ogend geheel met van alle schoenen maar één maat (altijd maatje 36) uitgestald, en ik vind de moed om te vragen of bepaalde schoenen ook in maat 41 bestaan, dan krijg ik steevast door zo’n meisje van één meter vijfenzestig met een minzaam lachje (inclusief vleugje medelijden in de blik) te horen dat ze die helaas niet hebben. En dan druip ik grommend en snikkend weer af.

Maar daar wilde ik het eigenlijk helemaal niet over hebben. Ik wilde het hebben over het feit dat mijn aansteker best raar is. Dat zit zo: ik reisde afgelopen donderdag in mijn uppie naar het grote centrum van Antwerpen af, om dus die laarzenzoektocht grondig voort te kunnen zetten. En de meeste lezers weten wel dat ik een tijd lang heb gevochten met mezelf om een angststoornis te overwinnen. En daar redelijk goed bovenop ben. Maar toch is het zo nu en dan nog spannend om bepaalde dingen te doen. Zoals dit dus. Sociaal zijn. Zelfstandig de weg vinden. Dat soort dingen. Maar daar ging ik hoor, op weg naar het kleine stationnetje hier om de hoek, om welgeteld 7 minuten in de trein te zitten alvorens ik op mijn begeerde plaats van bestemming zou aankomen.

De  trein was er niet, om kwart over elf. En ook niet om twintig over elf. En ook niet om vijf voor half twaalf. Toen werd er iets omgeroepen. Iets waaruit ik dacht te kunnen opmaken dat de trein twintig minuten vertraging had. En toen kwam er dus een mede-op-de-trein-wachtster naar me toe, en vroeg me of ik had gehoord wat er nu werd gezegd. Ik gaf mijn versie, en zij vertelde dat ze zoiets ook dacht te hebben opgevangen, maar dat haar dat wel erg veel vertraging leek. Resoluut stapte ze dan ook richting bovengronds om aan het enige loket ter plaatse meer informatie te gaan vragen. Ik besloot een sigaret op te steken, en wandelde een eindje naar links het perron af. Daar kwam een man me tegemoet gewandeld. Ik kon bijna raden wat hij ging vragen. En dat was maar goed ook, want zijn dialect was zo obscuur dat ik zelfs nadat hij zijn vraag herhaald had, nog moest gokken wat hij nu eigenlijk gezegd had. Ik herhaalde mijn schampere informatie nogmaals, en bleek een gewenst antwoord te hebben gegeven.

Uiteindelijk stopte er dan toch een trein op ons perron. Informatieborden hangen hier niet, een klok is al een luxe. Wij drie verwarde reizigers keken elkaar van een afstandje vragend aan. Ik besloot tegelijkertijd met de dame om op goed geluk in te stappen. Terwijl ik de treden besteeg, hoorde ik de fluit al gaan. En daarachter aan een verbouwereerd ‘Hey!’ van de man die toch ook nog in wilde stappen en een sprintje moest trekken naar de dichtstbijzijnde deur. Op het moment dat mijn billen de tweedeklas zitting raakten, werd er omgeroepen dat wij ons in de trein richting Antwerpen Centraal bevonden, en er nog even gestopt zou worden in een ander flutstationnetje, alvorens op de eindbestemming aan te komen. Ik ontspande en las een pagina uit mijn boek.

Nog geen drie minuten later arriveerden wij in ons tussenliggende station. De deuren gingen open, en op de perrons werd door een dame vanalles omgeroepen. Tegelijkertijd begon de stem in onze trein ook het een en ander mede te delen, wat erin resulteerde dat de meeste mensen met een opgetrokken wenkbrauw ingespannen probeerden te luisteren wat er nu gezegd werd. Ik dacht te begrijpen dat de trein bij nader inzien toch niet verder zou rijden, en we massaal naar een ander perron werden verwezen. Toen de stem uitgesproken was, begon iedereen door elkaar te praten en te lopen. Terwijl ik richting uitgang schuifelde, vroeg een man me wat er aan de hand was. Tenminste, dat leek me logisch, aan zijn gedesoriënteerde blik te zien. Helaas sprak de man uitsluitend Frans. Ik probeerde het nog in het Engels maar het mocht niet baten – ik maakte een verontschuldigend gebaar en verliet de trein. Ik hobbelde wat achter de grootste massa aan tot ik zowaar een bord met perronnummers en peilen ontwaarde. Even later stond ik dan ook netjes te wachten op een trein die mij alsnog 4 minuten verder zou kunnen rijden.

Hee zeg, dacht ik, om me heen kijkend, dit flutstationnetje heeft wél informatieborden! Vooruit, ze zien eruit alsof ze de beide oorlogen nog hebben meegemaakt, maar er stond toch welzeker ‘Ant.’ op, en ‘-12 min’. Ha, dacht ik toen, deze trein heeft dus ook vertraging, al heb ik geen idee hoe laat het ding eigenlijk had moeten of zou moeten aankomen, maar toch. Ik bleef braaf staan wachten, en na een tijdje kwam er ook nog echt een trein aangeboemeld. Ditmaal keken zo’n dertig mensen elkaar beduusd aan, om vervolgens in colonne de trein in te stappen. Achter mij stapten twee Amerikanen en een Belg in. (Het klinkt als het begin van een mop, maar helaas, dat is het niet.) De Belg legde in zijn beste Engels uit dat hij hoopte dat deze trein naar Antwerpen ging. Ik glimlachte, en een handvol luistervinken rondom mij ook. ‘We all do!’ wilde ik nog roepen, maar dat deed ik niet omdat ik een angsthaas ben.

En zo kwam ik dus na veertig minuten toch netjes aan op Antwerpen Centraal. Alwaar ik de hele Meir urenlang afgestroopt heb, op zoek naar laarzen. Die ik niet gevonden heb. Wel was er onderweg een leuk nieuw shirtje in mijn bezit geraakt, en voelde ik me eigenlijk wel goed, dat ik het gedurfd had dus, en nog genoten had ook. Hoe dan ook, ik besloot uiteindelijk de trein terug naar mijn huis te nemen. Dit exemplaar stond zowaar al voor me te wachten, en zonder problemen (en vooral: binnen 7 minuten) kwam ik dan ook netjes op mijn beginstation aan. Dit station ligt dus ondergronds, en wanneer er sneltreinen door de tunnel vliegen, sluiten de schuifdeuren naar de trappen toe automatisch (terwijl er een hels geloei klinkt als waarschuwing), om luchtdrukproblemen te voorkomen. Ik moest dus eventjes wachten omdat er net op het andere spoor iets langs suisde. Ik greep alvast mijn sigaretten en aansteker, om bovenaan de trap in het daglicht een welverdiende nicotinestoot te kunnen inhaleren. Naast mij stond een dame (overigens met leuke schoenen, maar zwart, en hoogstens maat 38) met een grote tas vol papperassen. De deuren openden zich, en ik liep de trap op, vermoeid maar voldaan. Drie treden verder drong het tot me door dat de dame tegen me sprak. Of ik misschien een vuurtje voor haar had. (Ha smiecht, dacht ik, dat wéét jij allang, jij hebt me mijn sigaretten zien pakken daarjuist.) Natuurlijk was ik bereid haar vuur te geven om haar eigen verslavingsdrang te botvieren. Aangezien we de trap op liepen leek het me slimmer haar mijn aansteker even aan te reiken, dan de weg te versperren in onze gezamenlijke poging tot het aansteken van haar sigaret.

Ze pakte mijn aansteker vast. Mijn rechthoekige, stalen design-achtige aansteker. Ze draaide hem een paar keer rond. Ze hield hem op de kop vast en zei iets als ‘ah, zo dus’. Ik schoot haar te hulp: nee, omdraaien, ja-nee, andersom dus, en dan daar, aan de zijkant, duwen. Nee, nee, rechtop houden. Ja! Zo ja. Met een achterdochtige blik klikte ze veel te voorzichtig het palletje in. Maar dan werkt ‘ie dus niet. Dat moet met overtuiging gebeuren. Na een paar pogingen kreeg ze het dan tóch voor elkaar. Met een lach gaf ze mij de aansteker terug. ‘Dat is ook niet makkelijk zeg! Dat is wel een bijzondere.’ Ik lachte terug en bevestigde haar stelling. En terwijl ik de buitenlucht instapte en mijn vertrouwde plein overstak richting huis, bedacht ik me dat ze eigenlijk wel gelijk had. Van die aansteker. Dat het best een beetje puzzelwerk is, voor je hem doorhebt. Dat ik eigenlijk best een redelijk rare aansteker heb. En dat wilde ik dus even kwijt.

*Bungelen

Ze vreesde soms voor haar touw. Niet zozeer omdat het zo kort was, wel omdat die slijtplekken zo broos leken. Ze had er nooit zo op gelet, maar de laatste tijd hield ze een oogje in het zeil, je wist maar nooit namelijk. Soms zag ze de touwen van anderen. Ze had verbaasd gekeken naar de variëteit in uitvoeringen. Ze was er altijd vanuit gegaan dat haar touw standaard was, maar moest concluderen dat er geen standaard bestond. Neem die ene, die helemaal vertakt was, die hing niet gewoon wat te bungelen in de romp, nee, die had uitlopers tot in de tenen, tot voorbij de ellebogen. Ze had er nieuwsgierig naar staan kijken. Of dat touw vol knopen, drie keer zo dik als het hare, en verankerd aan iedere ruggenwervel. Haar touw wapperde maar wat binnenin, verder dan haar maag kwam het ding niet. Soms hing het wat naar de ene kant, dan weer naar de andere. Af en toe duwde het tegen haar ingewanden, maar dat was ze wel gewend.

Het zwart in haar zorgde voor de meeste problemen. Het vrat zachtjes aan het touw, op sommige plekken was er niet meer dan een stevige vezel over, die het geheel aan elkaar hield, zo tussen de rafelige eindjes. Die zwakke plekken probeerde ze soms te repareren, maar dat pakte tot nu toe nog niet zo goed uit. Ze gebruikte dan het rood in haar, om die rafelige eindjes aan elkaar te schroeien, maar het enige effect dat dit had, was dat er een dikke versmolten klomp ontstond. Totaal niet meer buigbaar en potsierlijk. Toch had ze weinig keus, niet alleen kon het rood zo rauw in haar gloeien, zo vurig dat ze niet anders kon dan ernaar handelen, ook waren er amper andere kleuren om iets mee aan te vangen. Soms trok het zwart haar touw naar boven, wikkelde het rond haar hals en nek, en als ze niet uitkeek trok het de kluwen dan gestaag strak. Op die momenten won het beetje blauw dat ze in zich had, aan terrein. Verstikkend, verlammend, afstompend blauw. Totaal onbruikbaar. Het enige dat hielp, was alle vlekjes geel dan bijeen roepen, en dan samen met het rood ervoor zorgen dat de grip verzwakte en ze weer lucht kreeg.

Af en toe zat ze stil naar haar touw te staren. Dan bedacht ze plannen. Ze wist niet of het mogelijk was, maar theoretisch gezien kon ze geen reden verzinnen waarom het niet zou kunnen. Wat nu als ik het touw kon laten groeien? Of als ik het kon laten versmelten met mijn spieren? Dan zou het steviger dan ooit zijn, en flexibel tegelijkertijd. Verder dan dagdromen kwam ze tot nu toe niet, ze had geen idee hoe je zoiets moest bewerkstelligen. Soms probeerde ze wel vol overtuiging ertegen te praten, gaf het opdrachten en keek dan verveeld toe hoe er absoluut niets gebeurde. Ze had wel geleerd haar touw zo te draaien, dat het voor anderen leek alsof het redelijk stevig was. Alsof er amper zwakke plekken in zaten. En die donkere klonten gesmolten koord, die lelijke plekken, die wist ze te verdoezelen met de scheutjes geel die te vinden waren in haar. Af en toe liet ze haar touw in al zijn zwakheid zien. Dan kwam er veelal een stortvloed aan goedbedoelde tips op haar af, die toch vooral onbruikbaar bleken. Een regenboog aan kleuren zou kunnen helpen, maar dat had ze nu eenmaal niet. Of haar touw bevestigen aan haar botten, maar dat lukte haar dus niet. Anderen konden het zo simpel doen klinken. Eenmaal had iemand geopperd zijn touw met het hare te verknopen. Eerst was ze enthousiast geweest, maar al snel merkte ze dat ze op die manier niet meer in staat was haar eigen weg te gaan. Ze had geprobeerd voorzichtig de knopen weer los te maken, maar toen dat niet lukte had ze een reeks stevige rukken aan de koorden gegeven, net zolang tot de hare weer losschoot, en de beide touwen wat rafeliger dan voorheen achterbleven. Ach, dacht ze berustend, het was het proberen waard.