Welkom in mijn geest!

Wandel rond, kijk om u heen, neurie een melodietje, ga op een gedachte zitten, blijf even stilstaan bij een verhaal als u wilt – en laat eventueel een stukje van uw geest achter.
Want denken doet geen zeer, toch? 

egeltjegrey.jpg

En vergeet niet: ruilen kan altijd! Graag zelfs.

*Dag Denkendoetgeenzeer

Lieve leuke fijne lezers, dit is het laatste logje dat op Denken doet geen zeer zal verschijnen. Het is klaar, het is goed zo, ik wil nieuwe wegen gaan bewandelen, en hier blijven bloggen hoort daar niet meer bij. Dat betekent dat ik afscheid neem van mijn vertrouwde stekkie op het web. Ik ben niet zo van de sentimentele aanpak, dus gewoon dag. Het ga u goed, ik heb genoten hier, ik heb mezelf een stem kunnen geven toen de stem in het echte leven alleen nog fluisterde, ik heb mezelf kunnen neerzetten terwijl ik in het echte leven gevloerd lag, ik heb mijn fantasie alle hoeken van deze kamers laten ontdekken, ik heb me gewarmd en gesterkt aan uw woorden, me gekoesterd in de veiligheid van dit virtuele huis en ontzettend genoten van alle interactie die hier door de jaren heen heeft plaatsgevonden.

Dag dus. Tot ergens, of niet. Het is goed zo.

*gooit er een grouphug in en trekt de deur zachtjes dicht*

*Hoofdloos pluimvee

Tot aan mijn nek in de verhuis-stress hier. Niet mijn log virtueel hoor. Maar mijzelf, fysiek. Dus even geduld. Tot ik klaar ben met drieduizend dingen onthouden, vijftienhonderd dingen regelen, zesenveertigduizend dingen doen en als een kip zonder kop rondrennen.

*Nachtelijk surrealisme

“Mijn tandenborstel smaakt naar Antikal.”
“Ieuw.”
“Ja…”
“…”
“Ik heb de badkamer gepoetst. Blijkbaar op de tandenborstel gespat.”

“Je moet je tandenborstel ook niet poetsen met Antikal.”

“Je bedoelt: ik moet de badkamer ook niet poetsen met de tandenborstel?”
“Hahaha precies. Niet met een tandenborstel die je gebrúikt.”
“Oh, maar ik gebruik jouw tandenborstel ook niet hoor…”

“Ieuw ieuw ieuw! Voor de randjes in de toiletpot!”

En zij braakten nog lang en gelukkig.

*Bam.

Dat ik nietsvermoedend rondliep, brein ingesteld op nieuws en leuks en moois. Ik was tenslotte in een museum, en daar kom je die drie dingen zeker tegen. Mijn favoriete museum zelfs, De Pont. Daar kom ik áltijd mooie dingen tegen. Vrijdag was geen uitzondering. Ik keek en glimlachte, of stond even stil, las of onderzocht. Soms liep ik ook met opgetrokken wenkbrauw door. Dat is het mooie van kunst natuurlijk, het is persoonlijk.

Ik liep daar dus. En al vrij in het begin van mijn ontdekkingstocht kwam ik een tweeluik tegen dat iets in mijn keel deed kriebelen, naar mijn buik deed zakken. Zomaar twee zelfportretten, vrij klein en onopvallend op de lange stenen muur. Maar prachtig. Niet om de techniek, daar weet ik weinig vanaf, maar om het gevoel, denk ik. Wat er tussen de penseelstreken door ingesijpeld was. Wat raakte aan iets – vraag me niet wat – in mij.

Faceless beauty
(Thierry De Cordier – ’2 Fontaines’ A: Trunkenbild B: Ik-Vertering)

Ik stond verbaasd van het effect dat die twee schilderijen op me hadden, zo samen. Aangenaam verbaasd, en een tikkeltje ontroerd. Dat dit binnen vijfenveertig minuten overtroffen zou worden, dat wist ik toch nog niet.

Captivating me

Ik liep verder, keek en ontdekte. Ik zag leuke, mooie, kleine, grote, inventieve, saaie, gekke, indrukwekkende kunstwerken, beleefde ze, fotografeerde ze af en toe. De immense roestvrijstalen spiegelwand bijvoorbeeld. Of de bomen die uit losse stukken hout waren opgebouwd: opnieuw vastgeschroefd, net niet kloppend.

En toen draaide ik mijn hoofd naar de twee kasten die ik vanuit mijn ooghoek zag.

Bam.

Een/One - art - I
(Berlinde De Bruyckere – Een/One)

Ik was aan de grond genageld. Ik voelde me immens treurig en gruwelijk gelukkig tegelijkertijd. Ik voelde gaten in mijn zelf vallen, ik voelde me completer dan ooit. Mijn keel kneep samen en mijn maag draaide om, en met iedere stap die ik dichterbij zette klopte alles en niks meer tegelijk.

Een/One - art - II

Waarom? Geen enkel idee. Ja, de kasten in de hele setting waren mooi, voegden toe. Ja, de levensgrote beelden erin intrigeerden mij mateloos. Ja, de textuur en kleur van de ‘huid’, de vorm van de ‘mensen’ en de desolate uitvoering waren prachtig. Maar waarom dan net dit me zo totaal van de kaart kreeg? Waarom juist deze twee beelden in hun kasten mijn ziel open wisten te scheuren? Ik kan het u niet vertellen.

Een/One - art - V

Ik keek om me heen, naar de andere bezoekers, naar de jongen die op zijn knieën een foto van dichtbij maakte. Naar het koppel dat door een van de ruitjes tuurde. Naar de vriend waarmee ik in het museum was, zijn ogen, zijn blik toen hij naar de kasten keek. De een vond het mooi, de ander interessant. Maar niemand, niemand leek naar mijn idee genoeg onder de indruk van de schoonheid en intensiteit van deze kunstwerken. Ik voelde iets dat op beledigd zijn leek, ik voelde iets dat op puur onbegrip leek, ik voelde van alles maar kon geen afstand nemen en zien dat kunst persoonlijk is, en de een meer doet dan de ander. Dat je aan de buitenkant van mensen niet kunt zien wat er aan de binnenkant gebeurt. Dat alles relatief is en triviaal in al zijn grootsheid.

Ik wilde er niet meer van wegkijken. Nooit meer. Ik wilde de kasten omarmen, ze meesleuren naar de uitgang, in mijn woonkamer zetten en er hele dagen naar kijken. Liggend. Voelend wat ze met me deden. Zomaar, zonder duidelijk aanwijsbare reden.

Een/One - art - III

Ik heb er toch afscheid van genomen. Hopend dat een ander, daar tussen alle bezoekers, hetzelfde zou ervaren – dezelfde intensiteit dan toch. Ik heb foto’s gemaakt, wetend dat ik daarmee nooit aan iemand kan overbrengen wat het met mij deed, wetend dat een ander er misschien zelfs maar weinig van vindt, het stom of afgezaagd of saai of wat dan ook vindt. Maar ik moest die foto’s maken. Voor mijzelf. Om me eraan te herinneren. Een fractie van wat ik daar face to face voelde mee proberen te nemen.

En dat wilde ik even met u delen. Niet het kunstwerk op zich, dat is wat het is. Maar mijn wereld op z’n kop, voor het eerst in mijn leven, door iets dat ergens ooit iemand gemaakt heeft.

*Jaaaaaaa mijn tatoeage! (Pic heavy blog)

Na wat maandjes geduld was het dan toch eindelijk zover: mijn zelfontworpen onderarmtattoo werd gezet. Wiehoe! Ellen heeft weer prachtig werk geleverd, zoals altijd.

Ik heb een minuutje van de drie uur durende sessie opgenomen op film, en natuurlijk foto’s van de vorderingen gemaakt.

The making of:

In de maak in beeld:
01tattoo just started

02tattoo started

03tattoo halfway

04tattoo in progress

05tattoo almost finished

Af! Vers onder de naald vandaan:

06tattoo just finished

En vandaag:

07tattoo day after

Nu is het wachten op het vervellen en helen, en dan over een aantal weken het eindresultaat nog even laten bijwerken. Voor nu stuiter ik blij rond: mijn vierde tattoo is een feit! :)

*Brulaap

Ik was vanochtend getuige van… iets. Ja. Het was absoluut iets.

Een lange straat. Aan de ene kant allemaal eengezinswoningen. Aan de overzijde allemaal kleine appartementencomplexen. Ik op de stoep, fiets aan de ene hand, sigaret in de andere. Zodra ik de straat in wandelde, hoorde ik muziek. Foute muziek. Iets met een brief, en een moeder.

Voor de duidelijkheid: dat is best uniek, in dit beleefde stuk Vlaanderen. Ik mag dan opgegroeid zijn in een Nederlandse achterstandsbuurt, hier in België heb ik nog nooit half ontklede bierbuikige mannen op hun drempel zien zitten, weetjes over auto’s roepend naar de overbuurman in dito lichamelijke staat, onderwijl het keukenraam wagenwijd openzettend om de muziek beter te horen en de getoupeerde vriendin beter te (laten) zien.

Goed. Muziek dus. Hoe dieper ik de straat in kwam, hoe duidelijker de muziek klonk. Ik zag verderop de deur van een van de appartementenblokjes openstaan. Verhuizing? Verbouwing? Ik wandelde door, de muziek begon nu in de categorie hard te vallen.

“In z’n eeeeeeene hand een vlieeeeeger!” klonk een bassende doch overslaande tweede stem door het lied heen. Ik moest lachen. Het was echt Heel Hard en echt Heel Vals gezongen. Bouwvakkers? Werkers die de moed erin houden? Ik vond het zelfs wel aandoenlijk, en voelde me gek genoeg een fractie van een seconde thuis.

Tegenover de openstaande deur zaten twee mensen buiten in hun voortuintjes. Joh, dacht ik, iedereen heeft hier meteen zomer zodra de zon schijnt! Ondertussen was ik bijna bij de bron van de muziek aanbeland. Ik liep aan de huisjeskant, geparkeerde auto’s onthielden me lang het zicht op wat er nu werkelijk gaande was.

Verder naderend zag ik heel wat mensen achter de ramen van hun huisjes staan gluren. Een enkeling stond vanachter de op een kier gezette deur te kijken. Alle ogen waren op de herrie gericht. Toen ik eenmaal pal tegenover het bewuste appartement stond, zag ik het volgende:

Een geopende inkomsthal-deur. Een geopende appartements-voordeur. Twee zo ver mogelijk opengezette ramen. Vier witte glasgordijnen, waarvan er ééntje aan de kant geschoven was. En daar stond hij.

Borstkas tegen het raam geduwd. Zijn rechterarm van boven tot beneden een grote zwarte tribal. Zijn buik en hoofd iets te rond. Zijn ogen uitdagend, bijna waanzinnig. Een strak zwart shirt, zwart gemillimeterd haar, een opengesperde meebrullende mond. De muziek was echt, echt, écht loeihard. De man leek van iedere seconde te genieten, leek de hele straat uit te dagen, leek te zwellen bij iedere valse noot.

Er kwam een autootje aangereden, dat pal voor zijn raam parkeerde. Er stapte een verkreukeld opaatje uit. De brulaap maakte zich op voor de grande finale leek het wel. Nog luider, zijn hoofd liep rood aan, zijn mond vertrok tot een grijns.

Ik keek naar de mensen aan mijn kant van de weg. Afkeuring, angst, verbazing droop van hun gezichten af. Maar niemand die iets zei, niemand die zich verroerde, niemand die oogcontact met mij maakte. Aan de andere kant brulde de man nog onvermoeibaar hard mee, ik zag het opaatje zich zo snel als mogelijk uit de voeten maken, de straat uit – dat wilde hij, al was het het laatste dat hij zou doen.

Het volgende nummer op de cd begon. Abrupt werd het lied afgekapt, meteen klonken de eerste tonen van het vorige nummer weer. Ik was ondertussen voorbij alle consternatie geraakt. Ik wierp nog eenmaal een blik op de brulaap, hij stond nog onvermoeibaar stevig tegen de ruit geplakt, klaar om een volgende ronde in te zetten.

Terwijl ik het einde van de straat naderde, dacht ik: Zo zeg. Dat heb ik even zijdelings mee gekregen, onbedoeld. Dit… tja, tafereel…?
Dit…
Ik heb werkelijk geen enkel idee wat er nu precies voorafgegaan is, zelfs niet wat er nu precies gaande wás toen ik langsliep.

Maar dat het iets was – ja. Dat weet ik wel zeker.

*Gespiegelde overpeinzing in wit en zwart

Hoe ze al weken. En hoe ze daar naar uitkeken. Hoe hij zijn vinger, weifelend. Haar trillende lippen, zijn hals. Hoe ze dan. In volledige stilte. Hoe de kamer zich vulde, traag, met zacht. Met blikken – gedurfd broos. Hoe ze elkaar naderden, omcirkelden, langzaam indamden tot intiem een werkwoord was. Hoe ze elkaar omsloten, voorzichtig dronken, de woorden wogen, glimlachjes prikten in het landschap van hun samenzijn. Hoe de tijd hun enige vijand leek, en de ontdekkingstocht een hefboom naar dit afgezonderd samenzijn. Hoe het trillend in hun handen lag, klaar om ingekleurd te worden. Hoe ze zich vastklampten aan meer van dit, straks, later.

Hoe ze al jaren. En hoe ze daar op uitgekeken. Hoe hij zijn vinger, verwijtend. Zijn voorhoofd, haar trillende onderlip. Hoe ze dan. In ongemakkelijke stilte. Hoe de kamer zich vulde, gestaag, met zwart. Met snauwen – onnodig boos. Hoe ze elkaar verstikten, omcirkelden, langzaam inperkten tot kapot een hoofdletter had. Hoe ze elkaar afstootten, omzichtig verdronken, de woorden wogen, grijnzen staken in de puinhopen van hun samenzijn. Hoe de tijd hun voornaamste vijand bleek, en de uitputtingsslag een katalysator voor deze gedeelde eenzaamheid. Hoe het gebroken voor hun voeten lag, smekend om opgeveegd te worden. Hoe ze zich vastklampten aan nooit meer dit, straks, nadien.

*Ledig

Hij weet het niet meer. Ik zie het. Hij verbergt het, maar te zichtbaar – iets met z’n blik, en gemeenplaatsen. Verbazing, van beider kant. Dat er iets niet in hem is opgeslagen, dat glashelder in mij verankerd ligt. En dan de beslissing wat daarvan te vinden.

Nee, óf daar iets van te vinden. Maar het gaat vanzelf, sterker dan de logica. Er gewicht aan hangen, zien hoe de herinnering een vale tint krijgt, inzakt, doffe krassen maakt. De wetenschap dat het voor hem niet was wat het al die tijd wel voor mij… Gekoesterd en met fluwelen handschoenen aangepakt als verplaatsing nodig was. Plots zie ik dat er groezelige glazen vol ongelijk stonden. En dat ene ritme te vaak op repeat. Dat het naar binnen stormde, dat mijn lach te hard was. Dat we ergens anders bleken, dat het muf rook, en de muren. Dat het eenzaam was, al die tijd.

Het is al gebeurd voor ik er iets aan kan doen. En dan die spijt. Had ik het maar niet. Zonder zijn realiteit was het overeind gebleven. Nee, dat is nog niet eens het ergste, al valt afscheid zwaar. Maar dat hij nu denkt – dat de posities veranderen, daar tijdens die verbazing. Dat het ineens omgekeerd… Dat ik nu met opengescheurd torso voor hem leeg sta te bloeden. Dat het al die tijd misschien gedraaid in elkaar stak, dat niet hij. Niet hij maar ik. Mijn knokkels wit van het klampen, maar achter mijn rug, onzichtbaar. Dat zijn jarendiepe wonde vliegensvlug sluit, heelt, enkel nog een litteken – meer niet.

Hoe hij ineens aan de overkant staat, in plaats van naast mij. Hoe nieuw we ons daarbij voelen. Anders. Dan schurkt hij zich tegen die wetenschap. Dit bevalt hem. Ik schuifel naar achteren, de ongeziene verdwijning pogend. Hij trekt aan mijn arm, blijf. Dit voelt vreemd machtig. Blijf en schenk dit mij. Gun het mij, na al die jaren van geslotenheid. Ik weiger. Wil het breken, verbreken, kapot maken desnoods. Alles beter dan. Dan hoe dit voelt.

Ik sla. In het wilde weg, overal waar ik kan raken. Hij grijpt, vingers om pols. Te strak. Dat ik niet hoef te schreeuwen, dat het niet erg is. Ik schreeuw niet, gil ik. Ik sla niet, stomp ik. Ik wil niet, vraag ik. Het brandt. Het baant zich een weg langs mijn bestaan, sleurt roodgloeiend weggekropen besef mee, trekt oude deuren open en grist wat het kan grijpen, wat niet te begrijpen viel tot nu.

Daar ligt het, torenhoog fragiel. Smerig en glashelder. Ik tril, wend mijn blik af. Is er nog iets over? Ik zoek houvast, vind alleen zijn greep op mij. Hij ziet het, zijn blik vol met dit moment. Het is niet erg, meent hij. Het breekt niet, beweert hij. Ik huil zijn ongelijk. Verpulver tot pijn. Hij trekt me tegen zich aan: voel hoe ik nog sta. Voel. Trek dan conclusies. Ik voel het, maar dat is het niet, dat helpt niet, dat maakt het niet zoals het behoort te zijn.

Nee, blikt hij. Dat ik het niet snap, ademt hij. Hij rijgt me overeind, knoopt mijn tranen tot een ruggengraat. Staat stil te wachten. Zacht, ijzersterk. En dan begint het begrijpen. Voorzichtig, ik werp alleen een tersluikse blik, maar het daagt. Het daagt en in de verte denk ik te zien hoe het kan. Of dit: hoe het niet anders kan, en hoe ik dat nooit heb gezien. Heb durven zien.

*Ondoorgrondelijk

In de nieuwsbrief van de kringloopwinkel stond een link naar een pdf-document vol Valentijnsgedichten, ingestuurd door mensen die graag een weekendje Parijs wilden winnen. Aan mij de vraag om op mijn favoriete gedicht te stemmen.

Nu ben ik helemaal voor dichterlijke vrijheid, maar tussen de sinterklaasrijmpjes en de incidentele parel stonden toch nogal wat verontrustende, hilarische, bizarre ‘gedichten’.

Mag ik u voorstellen, met stip op nummer 1 binnen de liefdespoëzie:

Hier kan eigenlijk helemaal niets aan tippen natuurlijk. Toch zijn er nog een paar die ik u niet wil onthouden…

Of deze!

Dan heb je nog de mensen die denken ‘als ik de kringloopwinkel in mijn gedicht zet, win ik vast’. Tja. De geklutste uitdrukkingen in de slotzin maakt gelukkig meteen weer alles goed. Ik zie ze direct al op hun handen door de kringloopwinkel wandelen!

En mocht u langzamerhand denken dat er geen tot de verbeelding sprekende pareltjes tussen verstopt zaten: fout. Zie hier de ode van de eeuwige huisvrouw aan de liefde van haar leven!

Heerlijk toch, al die vurige poëzie. Het liefst stemde ik ze allemaal naar de winnaarsplaats.

Mocht u diezelfde neiging voelen, klik dan vooral even door naar alle 91 inzendingen! - toe maar, klik maar -

*Sneu

Het blauw was blauw, de grijze vloer was wit. Opgedroogde sneeuwtroep van een hele dag. Het was laat en een beetje eenzaam. Mijn blik dwaalde naar het zwart achter de ramen. Soms een voorbijflitsend geel. Luidrucht in het gangpad, vier dames die vastbesloten waren de g van gezellig met een hoofdletter te doen vannacht.

Daar lag hij opeens. Volmaakt rond, groen met een hint geel. Ik keek. Te groot om een druif te zijn, te klein, te rond om een limoen te zijn. Waar kwam hij vandaan? Uit een gekreukt plastic zakje van een van de acht dameshanden? Was hij in een bocht de hele coupé doorgerold nadat hij urenlang onder een stoel lag? Was het een stuiterbal van een kind met krullend haar en rubber laarsjes?

Hij lag daar mooi te zijn, op de vieze vloer. Absoluut volmaakt rond en helder. Zo fleurig dat hij zich aan mijn stemming vasthaakte, deze langzaam omhoog trok. Zou hij verder rollen? Zou een schoonmaker hem na middernacht oppakken en in zijn jaszak steken? Zou… zou ik zélf opstaan en hem in de palm van mijn hand rollen, hem bekijken en schoonvegen, hem ergens een plekje geven waar hij tot z’n recht kwam?

Station. De dames hesen hun rumoer op de schouders, wierpen sjaals rond hun nek en verlieten in ganzenpas de trein. Twee paar tiktiktikschoenen, een sloffer en een stille. Ze losten op in de wereld. Stilte nam plaats. De trein trok op, zette koers naar daar waar ik moest zijn. Balletje! Dacht ik. Groen balletje!

Toen zag ik het. Het groen was er nog, maar van balletje restte niets meer. Was het de sloffer? De stille?

Zomaar vertrapt, samen met mijn fantasie. Geen stuiterbal, geen handpalm, geen jaszak. Ik treurde in stilte, probeerde het donker te drinken en nam gepast afscheid.