Welkom in mijn geest!

Wandel rond, kijk om u heen, neurie een melodietje, ga op een gedachte zitten, blijf even stilstaan bij een verhaal als u wilt – en laat eventueel een stukje van uw geest achter.
Want denken doet geen zeer, toch? 

egeltjegrey.jpg

En vergeet niet: ruilen kan altijd! Graag zelfs.

*Kattenkwaad

Het blijkt maar weer eens dat ik mijn computer niet onbeheerd achter moet laten hier in huis. Het leek veilig, allebei de poezen lagen te slapen en niets wees erop dat een van beide grootse plannen heeft en achter mijn rug om van alles aan het uitzoeken is, maar niets blijkt minder waar.

Toen ik mijn muis bewoog om de screensaver uit te schakelen wachtte dit scherm me op…

Ik heb nooit geweten dat het voor poezen handiger leest om het hele beeld een slag te draaien, maar er zijn zoveel dingen die ik niet weet wat poezenlogica betreft. Ik kon er zelf helemaal niets mee, je muis werkt totaal onbegrijpelijk en je krijgt er een stijve nek van. Oh, en je moet iemand bellen om even op te zoeken welke toetsen ingedrukt moeten worden om het scherm weer terug goed te krijgen, want zelf googlen zat er even niet in om bovenstaande redenen. (Het is overigens Ctrl + Alt + een van de pijltjestoetsen.)

Vervolgens stond ik ietwat verbaasd en een tikkeltje ongerust naar deze google-search te staren toen ik mijn scherm weer goed kon lezen en mijn internet openklikte…

Blijkbaar heeft een van de poezen een hoogst obscuur pdf-document over eh… microscopisch tafeltennis in Azië (?) op zitten zoeken… ik kan alleen maar raden naar het hoe en waarom.

Voorlopig houd ik in ieder geval die ogenschijnlijk onschuldige poezen hier onafgebroken in de gaten.

Gewoon, voor de zekerheid…

*Post

Pakketje voor Wenz! Wat zou hier nu toch in kunnen zitten?! :)
De postbode had wel een idee…

“Hier zijn uw botten!*” grijnsde hij mij toe.

Het uitpakken was nog een kleine puzzel…

Maar daar zijn ze dan! Duizendmaal dankjewel Lenavanka! Ik ga het resultaat zeker laten zien! (En wat een fijne voeten heb jij zeg. Ik met mijn stoombootmaat 41 ben daar erg jaloers op. ;))

*Fijn Vlaams voor laarzen. :)

*Tijdmachine

Ik kocht een paar afgeschreven bibliotheekboeken op een rommelmarkt laatst. Alleen al de covers zijn fantastisch gedateerd, en dan heb ik het nog niet eens over het taalgebruik binnenin.

Thuis aangekomen zag ik dat achterin de boeken nog de ouderwetse bibliotheek systeemkaarten zaten. In zo’n plastic driehoekje, zoals je ze vroeger als kind altijd zag als je biebboeken leende.

Op de systeemkaartjes valt te lezen dat het ene boek 4 keer uitgeleend is geweest sinds 1988. Het andere boek mocht zich 7 keer in 11 jaar verheugen op vers daglicht buiten de bibliotheek. Bizar weinig eigenlijk, maar dat is natuurlijk de reden dat de boeken afgeschreven zijn.

Old library book I

Old library book II

Nu vind ik persoonlijk het allermooist aan deze kaartjes dat álle uitleenregels geschreven zijn in hetzelfde handschrift. De bibliothecaris of bibliothecaresse ter plaatse, heeft daar vele jaren gewerkt. Als enige zelfs, zo te zien. Prachtig vind ik dat: een soort tijdmachine, het verstrijken der jaren vastgelegd op een vaalgroen kaartje.

*Huh? Rubber?!

Al maanden loop ik op een nieuw project te broeden. Het leven kwam er steeds tussen, maar nu ben ik dan eindelijk aan het eieren-leggen geslagen.

Ik was het naaien van kleding een beetje beu. Niet zozeer de handeling op zich, al sloop de sleur er daar ook stevig in. Nee, vooral omdat het naaien van een kledingstuk een arbeidsintensief project is, en het dientengevolge niet zomaar voor een tientje verkocht kan worden, wil ik er nog van kunnen rondkomen.

Nu had ik dus al tijden een idee, ik had al materiaal verzameld en plannen in mijn hoofd.

Ik wil armbanden van rubber maken.

De enkeling die ik ervan vertelde, gaf steevast dezelfde reactie. ‘Huh? Van rubber?!’ Soms het iets origineler ‘Huh? Met rubber?!’ maar de strekking bleef – zo nam ik gemakshalve aan – hetzelfde.

Ja. Van rubber ja. Daarop volgde óók weer keer op keer dezelfde zin. ‘Waarom niet van leer?’

En dat vind ik dus flauw hè.

Waarom niet? Omdat ik iets ánders wil proberen. Omdat ik rubber een vreemd leuk materiaal vind. Omdat ik wil weten of daarmee te werken is. Omdat ik daar zin in heb. Omdat ik per se iets wil doen waarbij je géén naaimachine nodig hebt. Omdat ik het een uitdaging vind.

En vooruit: Ik heb ook nog lappen leder hier liggen hoor, en die gaan vast en zeker ook in de nieuwe shop verschijnen. Maar voor nu wil ik vooral experimenteren met rubber.

Dus! Ik ontwierp designs, ik toog aan het rubber snijden en liep al doende tegen obstakels aan. Dat vind ik een leuke uitdaging: ik wil het voor elkaar krijgen, dus alle ingrediënten aanpassen tot ik tevreden ben. Zo merkte ik al snel dat het industriële rubber dat ik gekocht had, zwaar en moeilijk te snijden was. De ene lap heeft stevige ribbels, de andere lap is ongelofelijk dik en stug.

Mijn tegenwerkende lijf stond niet bepaald te springen om ontstoken schouders en een verrekte nek. Dus ik ging maar weer eens googlen. Ik typte ‘rubber’ in en Google opperde ‘rubber laarzen’. En laat ik dat nu een geniaal idee vinden! Het rubber is flexibel, dun en glad, vaak zelfs gestoffeerd aan de binnenzijde, en rubber laarzen zijn ideaal om te recyclen in een dergelijk project.

Dus ik ben druk aan het experimenteren momenteel. Het design op zich begint al heel aardig te lukken. Het probleem van de sluitingen – hoe zet je ze vast rond je pols – is theoretisch ook al opgelost. Morgen proberen of de praktijk daar ook zo over denkt.

En nu ben ik dus blij. Want het wordt mooi, en ik vind het heel erg leuk om te doen, en het is rubber. Huh? Rubber?! Ja. Rubber!

Zodra ik het in de vingers heb, er een aantal af heb, het daglicht meewerkt om strakke foto’s te maken en de webshop opgezet is, gooi ik ze de wereld in! Yay!

Oh ja, enne… Mocht u nog rubber laarzen in een hoekje hebben liggen: laat het vooral weten, ik betaal graag de verzendkosten om ze bij mij te krijgen!

*Komt u even op mijn schoot zitten?

Dan neem ik u 2 minuten lang mee naar dat wat ik een van de fijnste dingen in het leven vind. :)

(Oftewel: Schommelen met een zachte G. In de stromende regen.)

*Zie mij. Laat mij.

Hij zit op de voorste kerkbank. Winterjas en rode neus. Ik luister naar de dienst, een half oog op zijn kruin gericht. Zoveel jaar geleden. Dan de kist, door het gangpad gedragen door een selectie nakomelingen. Daarachter de rest van wat ooit hun gezin was. Muziek. Onrustig geschuifel, de meute als één groot ongeduldig dier, door zijn baasje bevolen te blijven zitten. Oprecht verdriet overstemd door de wil om als eerste bij de auto te zijn. Daar loopt hij. Voelt hij iets? Verdriet? Zij was zo mooi en zacht en fijn. Zo oud, zo echt, zo oma dat het pijn doet. Was ze ook nog moeder? Zijn moeder? Hij lijkt zich ongemakkelijk te voelen tussen zijn familie. Nog een halve kerk te overbruggen. Mijn broer en ik kijken vanaf de achterste kerkbank naar wat er komen gaat. Dicht genoeg genaderd, fixeert hij zijn blik op zijn schoenen. Met iedere stap vergroot hij de afstand. Een snelle ruk om zijn hoofd zo ver mogelijk van ons af te keren. Dan de kerkdeur door. Dat was dan weer dat. Ik knoop mijn jas dicht en trek mijn harnas strakker.

Zie mij. Ergens moet het zitten, dat verminkte beest. Rauwe kreten in de kelder. Vanaf mijn dertigjarige wolkenkrabber niet te horen. En toch. Laat mij. Zo kan het allemaal nooit bedoeld zijn.

We gaan ‘op eigen gelegenheid’, zoals dat heet. Een uitnodiging in de bus, aan ons gericht. Nieuwe kleren, tintelende tenen. Een immense clan van achternaamdelers die ik nauwelijks nog ken. Binnen worden we warm onthaald. Ik wijs en vraag, mijn broer fluistert en benoemt. Een zaal vol vreemden die mij wel kennen. Er gonst iets. Ik ben te jong om het te plaatsen, te oud om het niet te merken. Ongemakkelijke spellenavond, iets te harde dranklachjes. Dan de deur. Daar staan ze. Uit de toon, zij. Ouder dan in mijn gedachten, hij. En wij, plots het nadrukkelijk nonchalant genegeerde middelpunt. De jassen gaan uit, een tafel, wat verdwaalde begroetingen. Mijn beurt om de sjoelstenen in een gat te mikken. Mijn vingers doen krampachtig. Wanneer ik opkijk, sluit de deur achter hun gehaaste stappen. Stilte die langzaam weer gevuld wordt. Achteraf mijn broer, de tolk. Omdat. Hij, die door de mand viel. Door onze aanwezigheid. Iedereen die dacht dat we samen zouden komen. Hij die dacht dat we niets van de avond wisten. Hoofdschuddende familie. De schande. Zij kwamen hier niet met jou. De schone schijn. Ik polijst mijn kogelvrije vest.

Zie mij. Nog geen blik waardig. Dat kleine meisje aan de ketting, naast het briesende beest in de kelder. Haar neus bijna op de vloer, niet groeien, niet groter, niet erboven uit. Laat mij. Laat mij toch. Ik doe niemand kwaad.

Verhuisd, alweer. Hun huis ruikt naar verf. We schuifelen voorzichtig door het nieuw. Halen foto’s uit onze rugzak. Een vakantie. Ja, wij! Op vakantie! Vol trots de geselecteerde kiekjes onder hun neus. De intieme liggen thuis. Ze glimlachen, knikken, hmhm. Leuk. Fijn. Dan de leegte. Wij, die weer naar zolder vertrekken. Hier toch ook, een zolder? De trap op. Oorverdovende stilte. We zoeken. We zoeken en twijfelen. De trap af, de deur open. Waar zijn onze…? Hun betrapte blik. Een raar apparaatje op tafel. Rood gestamel. Mijn broer. Waarom ze de negatieven aan het bekijken zijn. Ik weet waar hij nu aan denkt. Ik denk het ook. Die foto die we namen, ‘s ochtends, als grap. Hee mam! Klik. Halverwege het aankleden. Giebel giechel. Schaamte, namens haar. Willen beschermen, van haar. Voor het eerst verontwaardiging. Ik maak de vraag af. Waar is al ons speelgoed? De racebaan, de Ghostbusters, de Transformers, de zelfgemaakte zwaarden, de Hotwheels, de poppenkast, de… Weg. Hadden jullie dat nog willen hebben dan? Voor het eerst woede. Van ons! Door ons gekocht, aan ons gegeven, door ons gespaard, gespaard, gespaard, gekoesterd, geliefd, van thuis meegenomen om hier iets te doen te hebben. Nu weg. Alles weg. Wij afweziger dan ooit. De strop om mijn hals striemt diepe voren in het vlees.

Zie mij. Zie hoe ik je sla, schop, bijt. Zie hoe ik huil. Huilen moet. Zou moeten. Zou willen kunnen. Waarom steeds opnieuw uitgewist. Hoe verder ik terugga, hoe dieper het snijdt. Waarom steeds opnieuw met de grond gelijk. Laat mij. Laat mij je pijn doen, zoals je mij pijn doet. Hees fluister ik in het oor van het beest, verhit, verwoed.

We hebben een verrassing. Ik denk aan taart en snoep, of een speeltuin, misschien een zwembad. Hij legt iets op tafel. Zij staat ernaast. Een glimlach. We zijn getrouwd. Ja. Een paar weken geleden. Nee, geen feest, gewoon klein. Zie, het boekje. Leuk hè. Ik snap het niet. Ik wilde mee. Ik wilde helpen, de versieringen, de spanning, het zou superleuk worden, een feest met taart en bij elkaar passende outfits, met officiële meneren en ringen en applaus. Ik slik de tranen in, veeg mijn neus aan mijn mouw af. Opeens vallen puzzelstukken op hun plaats. Dat hij onze schoolfoto’s – de grootste hadden we aan hem gegeven – nooit opgehangen had. Dat we op de tweede dag van het langverwachte kamperen weer naar huis gebracht werden. Te lastig. Ze lust bijna niks op brood. Hij is zo druk. Gedoe. Twee weken opeens nieuw in te vullen. De ritjes, boos als we niet al buiten staan te wachten. Doodse stilte in zijn auto. Een vreemde. We proberen, mijn broer en ik. Verhalen. Een afwezige knik. Vragen. In mist gehulde antwoorden. Als we bij hem zijn, de leegte. Ongemakkelijk. Wie is hij. Voeten op de tafel wielrennen biertje sigaar. Maar wie is hij. Hij is nog banger voor het leven dan ik. Langzaam lossen we op. Iedere zondag, om de zondag, eens per maand, heel soms nog, nooit meer. Geen weerwoord, geen vraag, geen verjaardagskaarten, geen reactie op de brief van puberbroer. Niets. We sluiten onze deur. Je zoekt je beul niet op.

Zie mij. Zie mij bloedend naast het beest. Ik aai het, omarm het, hoe lelijk het ook is, hoe afgrijselijk het ook schreeuwt, ik voedt het, laat het de muren onderbraken, de vloer kniediep volschijten. Ik heb geen idee hoe ik het hier weg krijg. Ik leef met het ding mee, het leeft met mij, in mij. Laat mij. Laat mij dit beest verzorgen. Het is alles wat ik heb. Ik durf er niet naar te kijken, durf er niet van weg te kijken. Ik durf niet te zijn, durf niet te worden, durf niet te durven.

Nog vroeger. Kerstmis, het cadeau. Mijn naam op het pakje, verkeerd geschreven. Verkeerd geschreven en dat zeg ik. De kamer vult zich met irritatie, verpakte schaamte. Ik zwijg. Open mijn pakje. Een Barbie met een jurk die licht geeft in het donker, op een fiets die echt rijdt. Ik haat Barbie. Ik haat roze. De jurk is goed. Naar het raam rennen, de stof in het licht houden. Naar de kelder rennen, in het donker, spannend. De jurk opeens geen jurk meer maar een hand vol sterretjes. Heen en weer. Licht, donker. Twee keer, vier keer, acht keer. Stoppen nu. Te druk, die deuren, dat geren. Ik ga op de keukenvloer zitten en laat de fiets tegen de muur rijden. Baf. Gelach vanuit de woonkamer. Ik laat de fiets weer los. Baf. En nogmaals. Baf. Twee keer, vier keer, acht keer, zestien keer, zo vaak als nodig is om hem kapot te maken. Kapot. Ik geef hem nog een trap na. Want dat is wat ik weet. Gebroken schop ik het onding in een hoekje en slenter de woonkamer in.

Zie mij. Zie mij hier zijn. Laat mij. Laat mij bestaan. Het wordt tijd.

*Kunstnagels

Creatief met mini-canvasjes! Jammer dat ik gemiddeld maar ongeveer twee uur door kan brengen zonder al de eerste afgebladderde randen te hebben, want deze creatieve nagels werken wel danig inspirerend.

Ik ga toch ook eens een poging wagen. Al was het maar voor die ene mooie foto. ;)

 

nails | Tumblr
The Daily Nail by amy nail art amazing nail polish paint
The Daily Nail: April 2010
The Daily Nail: January 2010
Tumblr

(Deze nagels heb ik hier gevonden.)

*Sukkel

Goed. Het plan was er.

Kleine Zij, die hier parttime rondloopt, zit op een school waar men nog uniformen draagt. (Ja echt. Nee, als ik het voor het zeggen had, zat ze niet op zo’n school nee.) Donkerblauwe broek, wit hemd, donkerblauwe trui. Wanneer ze basisschool-af zijn, gaan ze op diezelfde school door naar het voortgezet onderwijs. Vanaf het eerste middelbaar (oftewel de brugklas) krijgen ze geen uniform meer van school. Hoezee ende hoera, zou je denken. Maar nee.

Er wordt nog steeds verwacht dat ze in uniformkleuren komen. Dus effen kleding in navy en wit. Een blauwe trui en wit shirtje, daar is meestal nog wel aan te komen. (Al zit op bijna ieder kinderkledingstuk wel een print of motiefje.) Maar een donkerblauwe broek voor een 12-jarig meisje dat absoluut géén jeansbroek is (verboden!), en ook geen klassieke pantalon omdat ze een stoere 12-jarige is, blijkt nog best moeilijk te vinden. Daarom waren we dan ook heel blij toen we er in de loop van het eerste jaar twee bij elkaar gesprokkeld hadden, die ze afwisselend een paar dagen in de week droeg.

(We komen uiteindelijk wel bij het plan hoor. Nog even geduld.)

Nu is het tweede middelbaar aangebroken. Ze paste nog in één van de twee broeken. We wisten met veel moeite een nieuw exemplaar te vinden. Nu ja, er wordt nog druk over gedebatteerd of de broek nu zwart is, of heel donker blauw. Want weet u, er zijn dus inspecties op die school. Uniforminspecties. En als ze dan niet aan de regels voldoen, wordt er met een streng vingertje gezwaaid. Nu had Kleine Zij toevallig haar oudste exemplaar aan bij de volgende keuring. Het oordeel: hij was te licht blauw.

Pfff. Na een jaar lang om de paar dagen gewassen te zijn, was het ding natuurlijk vier tinten lichter geworden. Geen probleem riep ik fluks: ik verf hem gewoon! Dus ik toog naar de drogist en kocht wat tinnetjes Navy Blue.

Broek in de wasmachine, verf erbij, verven maar. Toen ik hem eruit haalde bekeek ik het resultaat: hij was perfect. Als nieuw, en ècht precies de goede kleur. Na zo’n verfbeurt moet je de boel wel doorspoelen natuurlijk. Anders is je volgende was ook blauw. Nu wil het toeval dat ik altijd wat kriebelig word van hele wassen draaien voor één minieme broek. Zonde water, milieugewijs een flater en veel tijdverlies. Toen kwam dus het plan.

Ik spoelde de wasmachine met broek gewoon kort door! Handmatig op spoelen en afpompen zetten. Niks geen hele cyclus, want verspilling! Toen het water helder was, stopte ik. Er lag al een berg broeken klaar om in de was te gaan. Die gooide ik erachteraan, mochten er nog restjes verf zijn, dan zou dat niet te zien zijn op spijkerbroeken, in tegenstelling tot een witte of bonte was.

Maar.

Om onverklaarbare redenen had ik de versgeverfde broek bij de rest van de broeken in de trommel gestopt.

Ja.

Dan vraag je er ook om hè…

Ik heb dus zo’n lievelingsbroek. Zo’n broek die perfect is, en die ik Heel Erg Enorm Graag draag. Niet alleen om het model, ook om de kleur. Een heel lichte, bijna wit afgebleekte kleur. Kijk, hier heb ik hem aan:

U voelt hem al aankomen…

Ja hoor. Die zat er dus tussen. Mijn fijne wittigblauwe broek kwam er knalblauw uit. Verfblauw. Echt, oprecht, knaller dan knal blauw. Nep. Lelijk. Paniek.

Nu, zeven wassen later, met de nodige scheuten chloor, ossegal, whitening wasmiddel en andere chemische troep, heb ik mijn broek weer zo goed als terug. Ik kan alleen op de achterzakken nog heel vaag zien dat er iets teveel kleur op zit.

Maar dus. Note to self. Als je – om het milieu te ontzien – te beroerd bent om een was apart te draaien, doe dan niet van die oerdomme dingen waardoor je vervolgens een hele dag lang als een malle water loopt te verspillen, aangelengd met meer chemicaliën dan er in een normaal huishouden gedurende een jaar doorgeduwd worden. Sukkel.

(Maar ik ben wel blij dat mijn broek gered is. Ja. Zo erg ben ik dan ook wel weer.)

*Boezempeil

Ze had echt enorme borsten. Verpakt in een hemelsblauw decolleté, zo diep als de Atlantische Oceaan. Zo’n boezem die nergens begint en vooral nergens eindigt. Onder die voorgevel een stevige buik, die bij iedere ademteug de borsten omhoog duwde. Blonde haren omlijstten een rond rozig gezicht, haar armen en benen compact – breed zonder dik te zijn.

Ze nam plaats en stelde zich voor. Het had ook geen andere naam ter wereld kunnen zijn. Helga. Ik zag haar op de boeg van een Noors schip staan, haar wapenuitrusting blinkend in de zon. Ze nam een stapel papier en vertelde dat zij de inschrijving deed. Haar boezem leunde zwaar op de tafel. Ze schoof wat formulieren richting mij en helde vervaarlijk voorover. Het duizelingwekkende decolleté kwam als een bulldozer op me af. Toen zag ik het.

Tussen haar borsten zat… iets. Een rosbiefkleurig gevaarte. Het neigde bijna naar paars. Zoals dat gaat met zaken die je wil negeren, kon ik niet anders meer dan naar het ding staren. Terwijl ik probeerde mij op haar verhaal te richten, dwaalden mijn ogen ongewild steeds opnieuw omlaag. Het donkere, als een platgeslagen framboos gebobbelde ding tussen die samengeperste borsten bewoog mee met iedere beweging. Ze maakte een wijds gebaar, ik zag dat het ding op haar rechterborst verankerd leek te liggen.

Misschien was het ooit onschuldig begonnen? Een groepje wratjes, niets om je al te druk over te maken? Maar dat gaandeweg die groep een kolonie werd, een complete populatie van aan elkaar gegroeide wratten? Die samen een vingerdikke plaat vormden? Er liep een lichte rilling over mijn rug. Ze vroeg waar ik gewerkt had, hoe oud ik was, wat mijn wensen waren. Op de automatische piloot gaf ik antwoord. Zij schreef druk knikkend ieder woord op.

Misschien zat er wel een compleet mensje klem onder die borsten. Een kind, of nee, misschien wel een heel klein mannetje. Dat ze per ongeluk tegen hem op gebotst was laatst, en hij pardoes klem kwam te zitten in die oneindige massa boezem. Dat hij eerst nog wel kon spartelen, maar uiteindelijk zó vast zat, dat hij – hoe hard hij ook wurmde en wriemelde – alleen zijn tong nog tussen die twee borsten omhoog wist te steken. Dat hij daar al dágen zat nu, op die manier. Zijn tong zo ver mogelijk uitgestoken, gillend maar totaal gesmoord door al dat vlees.

Ach, dacht ik toen, dat is het natuurlijk! Ze was zo’n hamburger gaan eten. Zo’n enorm ding. Een kogelrond broodje, waartussen die lap vlees vet van alle mayo en de ketchup op een bedje slappe sla lag. Toen ze er een stevige hap uit wilde nemen, glibberde dat vlees – floep! – tussen haar borsten. Ze zocht nog minutenlang tevergeefs op haar stoel, op de tafel, zelfs op de vloer, maar kon het nergens meer vinden. Daar lag het nu, die hamburger. Tussen die borsten. Het was vastgeplakt aan haar vel. Verschrompeld en van buiten al uitgedroogd. Het stuk dat nog zichtbaar was, was er waarschijnlijk nog het best aan toe. De rest zat al dagen stevig beklemd, was nu waarschijnlijk al groen uitgeslagen, met witte harige draden tussen het opgedroogde vet en zou weldra chirurgisch verwijderd moeten worden.

Ze had alle gegevens nu, ze wenste me een fijn weekend, ze zei dat ik de informatiebladen mee mocht nemen, ze drukte me de hand, straalde me een glimlach die haar ‘Nou, tot volgende week!’ begeleidde. Ik wandelde in gedachten verzonken de deur uit. Op de grote gang aangekomen oriënteerde ik me snel. Waar was ik vandaan gekomen? Die witte hal door, via de draaideur, de trap af, nog een hal door met allemaal gesloten deuren. Vlak voor ik de straat bereikte ging mijn telefoon. Ik grabbelde hem uit mijn tas en nam op terwijl ik het gebouw verliet. Terwijl ik mijn naam zei, zag ik het beeld van Helga’s enorme hamburgerboezem in die blauwe diepte weer glashelder voor me.

“Dag schatje! Ik heb een idee, wat denk jij ervan? Zullen we vanavond lekker makkelijk bij Mac Donalds gaan eten?”

Ik hoorde nog net zijn bezorgde vraag of alles wel goed met me ging, maar toen hing ik al kokhalzend boven een vuilnisbak, mijn handen steunend tegen de muur. Nee. Dacht ik. God nee. Geen fastfood, niet vandaag alsjeblieft.

*Ukkel

Er was eens…

Een hele grote brug. En een heel klein meisje. Ukkel, heette ze. Ze had een kort spijkerbroekje aan met paarse sokken eronder, en een turquoise pet op. Ze was vijf jaar. En heel stoer. Ze kon alles al zelf. De brug was echt een hele grote brug. Normaal fietste iedereen altijd over het midden van die brug naar de overkant. Ukkel en haar mama ook.

Maar vandaag waren er allemaal meneren in oranje pakken op de brug aan het werken. Het was heel druk, want alle mensen moesten nu door een klein smal pad aan de linkerkant de steile brug over. Eerst was Ukkel naar het midden gefietst, maar de mannen lieten haar er niet door. Toen moest ze opeens haar mini-fiets met zijwieltjes naar de zijkant zien te krijgen. Mama liep met de fiets aan de hand heel erg druk te bellen. Haar zilveren naaldhakken klakten al bovenaan het steilste stuk van de opgang van de brug. Opschieten dus!

Ukkel wiebelde en wabbelde een beetje, en ze ging ook niet zo snel, want dat was moeilijk op de kinderkopjes. Ze wiebelde middenin de loopgang, een grote meneer kwam hard aangefietst en kon nog net op tijd remmen voor Ukkel. Maar dat deerde haar niet, ze stapte af en duwde haar fietsje naar de opgang van de brug. Mama was nu nog verder weg, en er was een hele hoge drempel. Ukkel duwde heel hard tegen haar fiets. Maar het lukte niet. Toen duwde ze keihard tegen haar fiets. Maar het lukte niet. Toen duwde ze echt heel erg enorm keihard, en lukte het bijna maar toen viel ze toch een beetje om.

Toen kwam er een mevrouw met rode haren voorbij. Ze zei ‘Kom maar, ik help je wel’  en pakte het stuur van het fietsje mee vast en duwde de wielen de grote drempel over. Ukkel was blij, want mama was nu al mega ver weg. Ze duwde, zo snel haar beentjes haar konden verplaatsen, de fiets over de brug naar het andere eind, en haalde haar mama, die nog altijd druk liep te bellen, toch weer in.

Toen moesten ze het steile stuk brug aan de andere kant af. Ukkel liep naast haar mama, ze kneep heel hard in het stuur maar de fiets wilde toch echt veel sneller naar beneden dan zijzelf wilde. Ze rende half struikelend naast haar fietsje en probeerde heel hard om de wielen af te remmen. Het was ook zo steil! Ze haalde haar mama ongewild in. Steeds sneller ging de fiets nu, en hoe harder Ukkel probeerde om hem af te remmen, hoe schuiner ze struikelrende, en opeens was daar de ijzeren afscheiding tussen het wandelgedeelte en het wegenwerkengedeelte.

Ze viel er hard tegenaan, haar fiets schoof onderuit, de trappers tegen haar blote kuiten, haar lijfje tegen de ijzeren afscheiding. Ze moest bijna huilen maar daar kwam dan toch mama langsgelopen, en die trok aan de fiets en die trok aan haar arm en die zei met de telefoon aan haar oor ‘Je moet ook rustig lopen!’  en toen gingen ze samen verder en slikte ze heel hard en hoefde ze toch net niet te huilen.

Onderaan de brug stapten ze allebei op hun fietsen, en terwijl de mevrouw met de rode haren hen boos en verdrietig nastaarde, was haar mama alweer zes meter vooruit gefietst, en ploeterde Ukkel snel koelbloedig tussen de medeweggebruikers door op haar roze zijwieltjesfiets.

Want ze was vijf jaar.

En heel stoer. Ze kon alles al zelf.

Of toch bijna alles. Ze moest wel…