Welkom in mijn geest!

Wandel rond, kijk om u heen, neurie een melodietje, ga op een gedachte zitten, blijf even stilstaan bij een verhaal als u wilt – en laat eventueel een stukje van uw geest achter.
Want denken doet geen zeer, toch? 

egeltjegrey.jpg

En vergeet niet: ruilen kan altijd! Graag zelfs.

*Mijn angststoornis

Ik maakte een kort, abstract filmpje over hoe ik mijn angststoornis heb ervaren toen hij op z’n ergst was.

Want ook woorden – mijn hoogste goed – schieten soms te kort. Een gevoel in beeld gewikkeld dus, ditmaal.
Onmacht over de situatie, dat je het jezelf aandoet en er toch geen uitweg in kan vinden. Frustratie, falen, verdriet.
Eenzaamheid.
En dat in drie minuten.

Ik hoop dat u even mee wilt klikken:
(Het filmpje is in HD, het beeld kan vergroot worden met de pijltjes rechts onderaan de video.)

Kwetsbaar zijn is pijnlijk eng, maar je opsluiten in jezelf is vele malen dodelijker.

*Ingewikkeld

Heel zachtjes wordt er aan haar gepeuterd. Van verre. Het lijkt alsof ze het niet voelt, maar ze ligt niet meer comfortabel, en die onrust. Ze zucht, spant haar spieren en ontspant ze weer. Duwt met een voet tegen haar ziel, kijkt of er beweging in komt. Het plakt.

Misschien, denk ze, moet ik het opruimen. Misschien, als ik alle kamers binnenstebuiten keer, komt het bovendrijven. Stijgt het op, tot ver boven het hoofd, en zweeft het via de voordeur de wereld in. Haar wereld uit.

Iemand zegt dat het een kwestie van willen is. Het vlamt in haar. Ze wil er in knijpen, het kapot trekken en laten zien dat het pikzwart is, niet vuurrood. Iemand zegt dat het een kwestie van tijd is. Iets met stroop maar toch. Ze wil het op de tenen gooien, laten zien dat het beton is, onwrikbaar.

Ze wikkelt. Ze wikkelt en weegt. Drapeert de sjaal rond haar nek, haar schouders, nogmaals, nogmaals, nogmaals, tot het warm is, en bijna voelt als samenzijn. Ze weegt haar gedachten. Worden ze lichter, of juist zwaarder? Er sijpelt een traan door de wol. Is ze in een kringetje gelopen? Kent ze dit uitzicht niet al van jaren geleden?

En als je terug bij af bent, staat het dan niet al gebeiteld hoe het verder moet? Iemand roept dat het anders kan. Ze knikt, gaat erin mee, splijt haar zijn in twee evenwaardige delen. Ze zit en spreekt, wijsheid op haar schoot en vertrouwen in haar handen. Ondertussen stampvoet ze, gooit ze haar lijf tegen de muren, breekt wat er te breken valt. Valt in alle kuilen die ze ooit groef, spuugt de verandering in het gezicht en kruipt in een hoek. Ze droogt haar tranen op de enige manier die ze kent. Ze droogt ze niet, ze laat ze stollen. Verdikt de bodem waarop dit allemaal kon groeien.

Het voelt fantastisch. Ze snoekduikt erin, nestelt zich in de warmte van de brokstukken, klampt zich vast aan alles wat haar andere helft los probeert te laten en vice versa. Ze trekt haar zelf kopje onder. Een voet in het gezicht, een knie in de maag. Laat me. Blijf van me af.

Ze kijkt met beide blikken, van de een naar de ander en ziet tweemaal een onaf mens. Ze weet niet wie aan wie peutert, of wie niet aan wie. Ze weet alleen dat ze sterk zijn, vasthoudend, en vluchtig, ongelofelijk zwak. Dat ze elkaar aan de haren sleuren, constant, op weg naar nergens. Naar daar waar geen van beiden hoeft te bestaan, naar die smalle steeg waar ze uitgeput tegen elkaar aan vallen en in elkaars wanhoop kunnen verdwijnen.

Ze sluit haar ogen weer. Ligt stil, zo stil als haar voelen. Er is niets. Er is niets. Wat onrust misschien, alsof iemand aan haar peutert. Van verre. Ze draait zich nog eens om.

*Shapes – mijn lijf opgeknoopt

Ik hartje foto’s maken, zoals de meeste Twitteraars danwel Flickraars wel weten. Zo nu en dan zet ik mijn eigen lijf daar zelfs voor in. En gisteren was het weer tijd voor een nieuwe serie!

We moesten er wel wat palen en touwen voor in huis vastschroeven om zo acrobatische foto’s te kunnen maken. Dus we togen aan het knutselen, omkramen en verbouwen. Schroeven, stevige knopen op google opzoeken, nog meer schroeven, nadenken hoe alles praktisch haalbaar was, de fotorollen naar beneden verplaatsen, de huisraad verbannen en de spieren losmaken.

Uiteraard – naar goed gebruik – maakten we eerst nog even ruzie over stomme praktische dingen, schreeuwden en verwensten de materialen en elkaar, zuchtten om en irriteerden aan, totdat lief per ongeluk (?) na mijn zoveelste irritante opmerking riep ‘dat hij de camera gewoon nog niet goed vastgeschreeuwd had’. We keken elkaar droog aan, en na een korte stilte zat de sfeer er alsnog in. Lachend vervolgden wij ons geknutsel. Nadat het test-hangen uitwees dat de boel niet zou instorten maakte ik een vreugdedansje (maar niet te uitbundig, die energie had ik nog hard nodig namelijk) en kon de photoshoot beginnen.

Dus!

Het idee is het volgende: ik wilde mijn lijf in poses, houdingen en figuren wringen die niet alledaags zijn. Een beetje spelen met ledematen en lenigheid. Ik ben natuurlijk geen slangenmens of turnatleet, dus écht onmogelijke dingen kan ik niet. Maar daar ging het ook niet om, ik wilde juist een gewoon lichaam in ongewone houdingen buigen. Je lijf is uiteindelijk je gereedschap, en dat mag best af en toe uit zijn doorsnee positie gehaald worden.

Making-of Shapes I

Urenlang klauterde, klom, hing en zwiepte ik. Urenlang drukte Lief op de afstandsbediening met zijn ene hand, terwijl hij met de andere hand voorkwam dat de buis draaide, of dat poezebeest in mijn haar/arm/been begon te klimmen, of dat ik domweg op mijn gezicht viel. Mijn spieren herinneren zich gisteren nog heel goed in ieder geval. Maar het was heerlijk om te doen!

Shapes - Tumbled

Soit. ‘Shapes’ dus, mijn nieuwe fotoset. De hele set is >hier< te zien, bij iedere foto staat nog een beetje uitleg of omschrijving, voor de liefhebber van woorden bij beelden. Ik heb ervan genoten en ben blij met de interessante resultaten. :)

*Update aangereden kat

LAATSTE UPDATE! (dinsdag 10 januari 16.45u)
De eigenaars zijn vandaag gevonden, de operatie aan de kaak is goed verlopen, het oog moet daarna nog maar nu is hij eerst lekker thuis aan het bijkomen van alle heftige dingen. We zijn héél blij dat de flyers hebben gewerkt, dat de operaties betaald zijn en vooral: dat Beest zijn thuis weer heeft gevonden!

—–

We hebben nieuwe informatie over de aangereden kat (uitleg onderaan dit log onder kopje ‘Viervoetig verdriet’) die we vrijdagavond gevonden hadden.

Gisteravond kregen we mail van de dierenkliniek dat de enorme grijze kater niet gechipt was en (momenteel?) geen halsband draagt. Hij heeft een flinke klap gehad, maar heeft geen inwendige bloedingen. Wel is zijn kaak gebroken en heeft hij daarom nu niet alleen een vreemd voorkomen (zijn oog zit ook raar nu) maar ook pijn en ongemak. Volgens de dierenarts is Beest gecastreerd, in perfecte conditie en ontzettend goed verzorgd dus zeker geen zwerfkat. We zijn gisternacht flyers buiten op strategische plaatsen gaan hangen in de hoop de eigenaar te vinden.

Vanochtend hoorden we dat er straks iemand langs zou komen die wellicht de eigenaar was, en dat we op de hoogte werden gehouden. Zojuist kregen we de chirurg zelf aan de telefoon, die kon ons de kosten van de operatie en verdere informatie vertellen. Het goede nieuws eerst: de operatie kost nog geen 75 euro. De rest betaalt de kliniek. Wij hebben direct gezegd dat die operatie sowieso door mag gaan, en dat wij het betalen. Het minder goede nieuws: de mogelijke eigenaar is zojuist langs geweest en bleek niet de eigenaar te zijn.

Voorlopig zijn we in ieder geval blij, Beest wordt – als er geen levensbedreigende spoedgevallen tussenkomen – morgen geopereerd, we mogen daarna op ziekenbezoek. De chirurg was ook blij dat de operatie kon doorgaan. Voor nu hebben we dit strijdplan: operatie, zien hoe hij er daarna aan toe is. (Ook nog wat meer informatie vragen: hoe oud is hij, heeft hij nog verdere wonden/letsel dat niet geopereerd kan worden, enz.) Als binnen de komende dagen de eigenaar nog steeds niet gevonden is, hebben we toegezegd dat wij de kat willen opvangen en zelfs adopteren.

Nu heb ik hier al twee dameskatten die niet echt fantastisch met elkaar overweg kunnen, dus het zal – mocht het zover komen – nog even bezien zijn of deze kerel erbij zou kunnen. We willen het in ieder geval proberen als de eigenaar onvindbaar blijft. Wie weet verandert een kater de dynamiek in dit poezenhuis. ;)

Dus lieve twitteraars @Jippiejeekip @Dushique @Vonniej @Debuski @H_Sweers en @Lobdozer en iedereen die ik nog vergeten mocht zijn: meebetalen aan de operatie is niet nodig, het bedrag is zo laag dat we het zonder problemen kunnen betalen. Wel driewerf dankjewel en een hele dikke knuffel voor jullie spontane reactie om bij te leggen en zo samen de kosten bij elkaar te krijgen.

We wachten dus voorlopig nog even af of de eigenaar zich nog gaat melden, maar mocht werkelijk alles worst case verlopen, dus geen eigenaar én ook nog eens grote ruzie hier in huis onderling, dan zou ik het enorm op prijs stellen als iedereen ogen en oren wil openhouden voor mensen die op zoek zijn naar een voormalig aangereden, enorm grote en stoere grijze kater om van te houden. :)

Maar laten we voorlopig niet op de zaken vooruitlopen. Eerst de operatie, en afwachten of kat en baas nog verenigd kunnen worden. De flyers hangen pas een halve dag, dus ik heb nog goede hoop de eigenaar te kunnen vinden. En zelfs als dat niet mocht lukken, wie weet kan hij dan hier aarden. Dus everybody: hold your horses, maar meeduimen wordt stevig aangemoedigd natuurlijk.

*Sociale interactie voor dummies deel II

Zo zit kluizenaar Wenz veilig in haar grot, zo rolt ze 48 uur lang van het ene sociale avontuur in het andere.

En overleeft ze dat ook nog.

Sta mij toe u in de komende logjes door mijn rollercoaster te loodsen. Handen binnenboord en riemen vast, daar gaan we!

Deel I vindt u hier.

Sky high

Op een drafje zocht ik het afspreekpunt in het centraal station, alwaar ik Ichi ging treffen. Misschien was ik wat overmoedig door de afgelopen uren, misschien was het gewoon domme pech, maar mijn angststoornis ging toch nog even zijn staart roeren. Ichi wilde, voordat de terugreis begon, graag iets met me delen waar hij heel gelukkig van werd. Zo’n aanbod sla ik niet snel af, dus ik toog in zijn kielzog naar Een Of Ander Gebouw. ‘We gaan helemaal naar boven.’ Ik keek wat bang naar het posh restaurant beneden, maar daar mocht ik snel voorbij wandelen. Met een supersnelle lift belandden we op de hoogste verdieping. De Sky Lounge.


(Foto via Gogobot.)

De helft van mijn innerlijk kwam al in opstand toen we binnen wandelden. Maar kom, dacht ik, stel je niet aan. Dus ik liep met oogkleppen op langs de bar vol strak-in-het-pak-personeel. In het uiterste hoekje van de loungebar kozen we een zitplaats. Terwijl we onze jassen afpelden kwam er al een pinguindame aangesneld. Of ze al Iets Voor Ons Kon Betekenen. Ik vroeg welke sapjes ze had, wat natuurlijk al doodeng was om te doen, dat begrijpt u meteen.

Niet? Nou kijk, ik heb zo’n raar iets. Dat ik me alleen ergens thuis voel als het ‘op mijn stand’ is, of eronder. Maar ver daarboven? Absoluut niet. Ik vond mezelf dan ook heel erg dapper. Dat ik zonder blikken of blozen het woord had genomen. De dame somde een rijtje sappen op. (Ik moest nog glimlachen om haar ‘sju derans’ dat wat uit de toon viel in al deze luxe. Zo werd ze toch gewoon mens voor mij.) Ik bestelde en met een ferm ‘Ik kom het zo brengen’ beende ze al weg. Ichi en ik wisselden een blik. ‘Uhm…’ riep hij haar voorzichtig achterna, ‘…en ik dan?’

Nadat ook hij alsnog had mogen bestellen plantte ik mijn achterwerk héél voorzichtig op de lounge-zetel. Ik rechtte mijn rug en kruiste mijn benen. Ik voelde of mijn haar nog netjes zat en trok mijn mouwen wat verder over mijn polsen. Het ging vanzelf. Ik zat daar als een verlegen schoolmeisje bij de grote enge directeur. Drie strakke pakken stonden constant de ruimte af te spieden, of ze ergens al Iets Voor Iemand Konden Betekenen. Ik probeerde te ontspannen. Keek om me heen, wierp een blik door de immense glazen wand. Het uitzicht was prachtig, zelfs in het donker. Dat was wat Ichi me wilde laten meemaken.

(Foto door Ichi gemaakt.)

Ik greep de drankkaart en bekeek de opties. Een kop thee, zes euro. Een flesje water? Zeven vijftig. Bovenaan iedere bladzijde prijkte het Hilton logo. Voor me op een oneindig dressoir stond om de vijf meter een Mac scherm, gewoon voor de sier het Hilton logo te tonen. Het pinguinpersoneel was onverminderd all over the place. Toen zonk de moed me alsnog diep in de schoenen.

Ik dronk mijn sapje, maar het werd niet beter. Ik at een van de acht koekjes in aparte schaaltjes die bij de thee van Ichi geleverd was. Het werd niet beter. Af en toe hoorde ik Ichi uit de verte iets zeggen, maar mijn angsten hadden al ver de overhand gekregen. Ik was alleen nog maar gespannen, gespannen, en angstig, te angstig, zonder enige logica of rationele gedachte. Ik gaf het op.

Ik voelde me schuldig, en ik voelde me een sukkel. En toch vroeg ik Ichi of hij het heel erg zou vinden als we zouden vertrekken. Gelukkig weet hij ook wel het een en ander van mijn angsten, en is hij daarnaast een perfect gentleman, dus twijfelde hij geen moment. Om daar te zitten terwijl ik me uiterst ongemakkelijk voelde, had ook geen zin. Geen probleem, we zouden gaan.

Nu zou ik graag zeggen dat ik opgelucht ademhaalde, maar dat was niet zo. Mijn lijf stond nog even strak van de spanning, en ik wilde alleen nog maar weg. We liepen de Sky Lounge uit richting lift. Ook toen was er nog geen opluchting te bespeuren. We namen de lift en wandelden de buitenlucht in. Ik stond nog altijd strakker dan strak. Ik stak een sigaret op en waaide bijna weg. Ook dat gaf geen enkele verlichting. Ik voelde me doodmoe en oneindig gespannen.

Rock bottom

Ichi opperde om naar de nabijgelegen bibliotheek te gaan, daar was een lunchroom bovenin alwaar we alsnog uitzicht hadden en ik even kon bijkomen. Ik raapte mezelf bij elkaar, dook diep in mijn kraag en daar gingen we. De bibliotheek in, wederom naar de lift om de bovenste verdieping te bereiken. De achterwand van de lift was leuk, dat kon ik nog net zien tussen al mijn vermoeiende angsten door. We kwamen aan op de bovenste verdieping. De deur ging open.

We stapten uit, en er liep toevallig net een bibliotheekdame bij de lift. Die – om mij volkomen onduidelijke redenen – direct op ons begon te schelden.

Echt. Ze riep wat verwensingen, gromde irritatie, reutelde haar boosheid over ons heen en beende weg. We snapten er totaal, absoluut, helemaal niets van. En het allerlaatste restje moed om mezelf overeind te houden stortte linea recta de liftkoker in. Ichi liep de lunchroom in, het was er overvol en lawaaierig. Hij speurde rond om een vrije plek te ontwaren. Ik trok hem aan zijn arm en zei, met het zwaarste lood in de schoenen, dat ik hier óók weer niet wilde zijn. Ondertussen schreeuwden mijn gedachten harder dan alle gasten in de lunchroom bij elkaar. Loser! Aansteller! Hopeloos geval! Ze overschreeuwden mijn kritische angststem die al in de Sky Lounge begonnen was met zeuren. Dat ik stom was, en hier niet hoorde, en uit de toon viel, en dat iedereen fijner gezelschap was dan ik, dat ik alleen maar faalde, en lelijk was – dat ook, en zo’n stumper, dat ik niet eens normale-mensen-dingen kon doen, dat ik… Ik zuchtte diep en vroeg me af hoe ik de avond door moest komen, de urenlange treinrit overleven, nu ik weer metersdiep in mijn stomme angsten verwikkeld was geraakt.

We verlieten óók de bibliotheek weer (voor de zekerheid maar via de roltrappen, al zou het kunnen dat we daarmee ook weer iemand voor het hoofd zouden stoten), en stonden uiteindelijk weer wat verloren op straat. Ik voelde me verdrietig, dacht terug aan hoe fijn ik me vanmiddag had gevoeld. Voelde me schuldig dat ik er zo’n zooitje van maakte. Voelde me leeg en op en bleurgh. En toch schakelde er nog iets zinnigs in mij. Dat bruine kroegje van vanmiddag. Daar voelde ik me toch helemaal op mijn gemak? Zoek! Een! Gelijksoortig! Kroegje!

Hoop in bange dagen

En dat deden we. We kwamen na wat heen en weer geloop in een rustig maar gezellig bruin kroegje. Een bar, een pooltafel, wat tafeltjes en een rookhok. En thee, voor anderhalve euro. In een glazen mok. Een toilet propvol delfts blauwe stickers met wijsheden erop. Kerstballen aan het plafond en jazz-muzikanten in beduimelde lijstjes aan de muur. Een barmeisje dat blije deuntjes draaide. En langzaam, bijna ongemerkt, sijpelde de angst, de boosheid daarover en de frustratie daarrond uit mijn lijf. Ik ontspande weer, en terwijl we voor het eerst vanavond echt begonnen bij te praten laadde mijn batterij zich ongemerkt weer op.


(Foto door Ichi gemaakt.)

De treinreis leek opeens weer haalbaar, de loungebar-ervaringen legde ik wijselijk even opzij, en mijn glimlach kwam weer terug. En hoewel ik het moeilijk vond te ‘falen’ voor Ichi’s ogen, was ik hem dankbaar voor zijn flexibiliteit en warmte, voor zijn begrip en de ruimte die hij me gaf. Ik was zelfs blij dat ik zélf overeind gebleven was. Niet mijn lief had gebeld en hem naar Amsterdam had gejaagd om me uit de paniek te plukken, maar gewoon gebleven was en in alle onbekendheid toch een plek had weten te creëren waar ik weer tot mezelf kon komen.

De treinreis dus. En uiteindelijk ook weer afscheid van Ichi nemen. Ik had het gevoel dat de avond wat kort was geweest, de échte avond, het fijne deel. Toch moest ik volgens plan absoluut in Heerlen uit zien te komen voor ik op een treurig station zou stranden. Dus dag, en tot snel weer, volgende keer een betere start. De rest van de treinreis verliep rustig, het Zuiden naderde, een warm bed en veilige omgeving lonkte.

Train ceiling

In Sittard moest ik overstappen. De paar meter in het donker door de wind deden me rillen. Mijn kachel drijft op dezelfde stroomvoorziening als mijn geest en dus angsten, en die was vanavond al flink aangesproken geweest. In de laatste trein aangekomen ritste ik dan ook mijn tas open en trok er lukraak truien en vesten uit. Ging ik me hier gewoon keihard staan aankleden? Vrijwillig opvallen waar ik dat normaal koste wat kost ontwijk? Jazeker. dat ging ik. Dadelijk een half uur in de kou lopen moest wel draaglijk zijn. En zo begon ik de kleren rond mijn lijf te hijsen.

‘Ik dacht al, wat is dat voor gefladder hier?’ Ik draaide me om en keek recht in de ogen van een guitige conducteur. Ik vond hem direct sympathiek en dus Niet Heel Eng. Hij kwam op een stoel tegenover me zitten. Ik riep dat ik zo dadelijk nog een eind moest lopen, dat ik het koud had en dus vooral heel zielig was. Hij keek me even aan en zei toen heel droog dat ik volgens hem helemaal het type niet was dat zielig gevonden wilde worden. Dat vond ik zo’n anders-dan-standaard opmerking dat er een lach opborrelde. Ik trok mijn laatste vest aan en greep naar mijn tas om mijn kaartje te tonen. ‘Daar kom ik helemaal niet voor joh. Ik vond dat gefladder gewoon intrigerend.’

En zo praatte ik het laatste half uur met Tom. Conducteur, papa én mama van drie dochters, cupcake-liefhebber en zachtaardige reus. Ik kan de keren dat ik een half uur met wildvreemde mensen small-talk heb gemaakt op één afgehakte hand tellen. Maar voor alles is blijkbaar een eerste keer. En het meest bizarre van alles: ik genoot er zelfs van.

Op mijn eindstation namen we afscheid en ademde ik de gure wind diep in. Kom maar op met die wandeling. Even de hele avond van me afzetten. De regen op mijn gezicht, de wind dwars door mijn lijf. En al lopende liet ik de hele dag nog eens passeren. Ondanks de angstaanval had ik een heerlijke tijd gehad, mezelf op allerlei manieren overtroffen en er oprecht van genoten in de buitenwereld te zijn. Van Piloot en Han tot bloembakkat, van kerstballenkroeg en Ichi tot small-talk, ik had het niet willen missen.

Ik sliep een diepe slaap. Ik had een fijne terug-in-Heerlen dag, alwaar ik me zelfs nog een houding wist te geven toen er plots bezoek voor de deur van mijn logeeradres stond. Ik vergruisde niet tot puin, ik verdronk niet in angsten. Wel ploeterde ik nog even door de modder, maar dat was vrijwillig. Een mooie foto laat je niet aan je voorbijgaan tenslotte.

Lake Melancholy

Viervoetig verdriet

‘s Avonds werd ik fijn met de auto opgehaald door mijn lief. Met meer bagage dan waarmee ik vertrokken was zoefden wij naar huis. Nu mocht ik ontspannen, instorten, koprollen, gillen: wat ik maar wilde want ik zou zo thuis zijn! We reden onze wijk binnen en praatten druk onze dagen bij. Op de weg voor ons lag een zak of zoiets, waar Lief behendig omheen stuurde. Vanuit mijn ooghoek zag ik de zak.

‘Lief! Was dat nu een beest? Shit. Ik weet het niet zeker, maar het zou kunnen. Wil je omdraaien?’ Lief gooide het stuur al om. We parkeerden de auto aan de overkant en ik sprong uit de auto. Het was wel degelijk een kat. Een enorme grijze lieverd die aangereden was. Een jongeman liep naar de kat toe terwijl ik naderde. Hij duwde met zijn voet tegen het beest. Tilde hem daarna halfslachtig op om hem van de weg te krijgen. De kat stond recht, wilde weg maar viel weer om, net naast het asfalt. Ik snelde toe, knielde naast het beestje en aaide zijn paniekerig lijf. De jongeman zei dat hij de politie gebeld had, die zouden een wagen sturen om het beest op te halen. Dat dat wel al twintig minuten geleden was.

Het arme beest had bloed langs zijn hoofd, een oog dat niet meer goed zat, en met een beetje pech flinke interne bloedingen. Langzaam stroomden meer mensen toe. Iemand had wel een auto zien stoppen hier op de hoek een half uur geleden, maar die reed ook meteen weer door. Een meisje rende naar huis om een dekentje te halen om hem warm te houden. Een vrouw ging hier en daar aanbellen om te vragen of de kat van iemand was. Al die tijd bleef ik het beest aaien. Non-stop. Zijn ademhaling werd iets rustiger, maar ik wist niet of dat nu juist goed of slecht nieuws was. We stonden er nu met zeven man. We konden de eigenaar niet vinden en er was geen spoor van een politiebusje. Lief en ik overlegden, hij zocht op zijn smartphone naar de dierenarts van wacht. We zouden hem zelf gaan brengen, dit kon niet veel langer meer duren. Een van de omstanders bracht een kattenmand waarin we hem konden vervoeren. Riep meteen dat zij de eventuele kosten wel wilden delen. Samen met een dame wist ik de enorme kat in de mand te krijgen, hij kreunde van de pijn en paniek. Het was zo sneu, maar ik wilde hem echt alleen heel graag helpen. We namen afscheid van elkaar, ‘met vereende krachten komen we er wel’ riep de jongeman nog, en dat beaamde ik volmondig, stapten in de auto en net op dat moment kwam het politiebusje dan toch aangereden. Lief stapte weer uit, overlegde. Zij zouden hem naar een dierenkliniek in de buurt brengen. Ik gaf de mand door, rukte mijn hart los van de kat en zond hem al mijn warmte achterna.

Gisteren hebben we gebeld, maar er nam niemand op. Morgenvroeg gaan we het weer proberen, dan is de dierenkliniek officieel weer geopend. Ik hoop dat ze hem nog konden oplappen. Ik hoop dat de eigenaar ondertussen gevonden is. En in het ergste geval, dat hij rustig ingeslapen is, in plaats van langs de weg te creperen.

Ondanks alle verdriet om het beestje leerde ik toch ook weer iets moois van de situatie. Waar ik normaal doodsbenauwd ben iets tegen De Vlamingen te zeggen omdat ze dan horen dat ik niet ‘one of them’ ben, kon dat me allemaal gestolen worden en heb ik heel de tijd met alle omstanders gepraat, zelfs de dingen geregeld, initiatief genomen, alles om het beest in veiligheid te krijgen. En dat vind ik, naast de hartverwarmende verbroedering van die kluit wildvreemden, dus wel heel fijn. Om te weten. Dat die Wenz daar gewoon nog zit, onder al die angsten. Dat ze daar overheen kan stappen als het nodig is. Dat niemand me het land uit schopte, niemand me uitlachte, niemand een brandstapel bouwde om mij op te smijten, niemand ook maar iets van mij vond terwijl we met de kat bezig waren. Wat perspectief doet wonderen.

En zo eindigde mijn achtenveertig uur durende rollercoaster van indrukken, uitdagingen en emoties. En morgen? Morgen ga ik lekker binnen zitten. Cocoonen, mijn eigen twee poezekes suf aaien, en nagenieten van alle avonturen.

*Sociale interactie voor dummies deel I

Zo zit kluizenaar Wenz veilig in haar grot, zo rolt ze 48 uur lang van het ene sociale avontuur in het andere.

En overleeft ze dat ook nog op haar sloffen.

Sta mij toe u in de komende logjes door mijn rollercoaster te loodsen. Handen binnenboord en riemen vast, daar gaan we!

Deel II vindt u hier.

Wegens een miscalculatie (‘laat ik heel vroeg gaan slapen!’) was ik donderdag al om vier uur in de ochtend klaarwakker opgestaan. Dat gaf me dan weer wel alle tijd om rustig, zeg maar gerust dóódkalm, mijn dag te beginnen.

Om negen uur hees ik mijn weekendtas op mijn rug. De moed zat niet in mijn schoenen! (Maar veel hoger dan mijn dijen kan hij niet gezeten hebben.) Ik ging op pad. De tram bracht me naar Antwerpen Centraal. Ik rookte nog een laatste sigaret voor mijn avontuur zou losbarsten terwijl ik de zon zag ontwaken.

Red light

10.00u
Op spoor 22 begon mijn tocht.
Strijdplan: Een Leuke Dag.
Locatie: Amsterdam.
Partner in crime: Han.

Antwerp Central Station

De treintocht liep gesmeerd, ik hobbelde de grens over, doorkruiste half Nederland en waande mijzelf al haast in Amsterdam toen een half uur voor aankomst een en ander in de spreekwoordelijke soep liep.

‘Dames en heren, wegens problemen verderop aan het spoor rijden er voorlopig geen treinen naar Amsterdam. Zodra wij zelf enige informatie hebben, hoort u het van ons.’ Goed. Balen, maar geen reden tot paniek. Ik wierp een blik op de spoorkaart en maakte een nieuw plan. Terugreizen naar Rotterdam, om van daaruit om te rijden naar Utrecht en zo toch Amsterdam te bereiken. Er stond nu een trein klaar, dus hop! Daadkracht en onverwachte nicotine deden mij al snel in de volgende trein belanden.

Terwijl ik nog wat stond te staren naar het perron en de trein ieder moment zou vertrekken, zag ik vanuit mijn ooghoek opeens een kluitje mensen terug in mijn oude trein springen. Wat?! Zou die nu toch gaan rijden? En naar het goede station? Maar deze trein staat ook op het punt van vertrekken… Ik had een nanoseconde om te beslissen en sprong toch maar uit mijn omrijd-trein en beende naar mijn oude trein terug.

Bij de dichtstbijzijnde deur stonden een jongeman met een soort pilotenjas en een vrouw op leeftijd met mooie ogen in het ‘tussenhok’, zoals ik dat altijd noem. Ik riep ‘Waar gaat deze trein nu naartoe?’ en in koor antwoordden zij mij ‘Amsterdam Centraal!’ Mijn gezicht klaarde op, maar exàct op hetzelfde moment sloten ook de treindeuren. Nee! Verdorie!

Maar! Piloot had zijn armen al tussen de sluitende deuren geworpen en wist zo een smalle opening te laten. Woohoo! Ik sprong de trein alsnog in, Piloot en Prachtoog sleurden mijn tas door de opening en ja! Ik was binnen! Ik bedankte ze vanuit mijn tenen en hoorde dat er een bovenleiding was geknapt maar we alsnog toch langs mochten rijden.

Train view

Bam. Het klapdeurtje van het tussenhok zwiepte tegen de muur. Een rondbuikige conducteur beende binnen en baste tegen Piloot: ‘Was u dat die de deur voor deze jongedame openhield zojuist?!’ Piloot en ik wisselden een blik en zetten direct onze liefste glimlach op. Ja, dat was zo. En ja, het spijt ons. En nee, we zullen het nooit meer doen. De conducteur kwam nog met het ijzersterke argument ‘Ja, als het vliegtuig vertrekt ga je de deur toch ook niet open staan houden?!’ We knikten onze nek in een kramp en richtten onze blik schuldbewust op onze schoenen. Ondertussen besmuikt grijnzend. We werden vergeven.

Stapvoets reden we langs de kapotte bovenleiding. In the middle of nowhere stond een trein. Volgepakt met mensen. Treurig kijkende mensen, geïrriteerd kijkende mensen, moedeloze mensen. De pantograaf, het ding dat normaal tegen de bovenleiding zit, was door de wind achter een van de kabels blijven haken en had de hele reut omlaag getrokken. Daar stonden ze dan, zonder stroom, en dus ook zonder verwarming. Ik had dan wel drie kwartier vertraging, maar deze mensen hadden officieel een rotdag, besloot ik.

13.05u
Amsterdam! Ik waaide Han in de armen en ons avontuur ging, hoewel iets ingekort, van start.
Stap 1: Broodjes bij de bakker.
Stap 2: Bankje in het park.

Sir

‘Ken je het hier?’ vroeg Han. ‘Totaal niet!’ riep ik. Om vijf minuten later op te merken: ‘Hee! Volgens mij ben ik hier een jaar of twee geleden met Kronkel geweest! Is dit niet dat gebouw waar die boeken…eh…bla gehouden wordt altijd? Je weet wel, waar allemaal schrijvers komen spreken en uitgevers boeken presenteren enzo… kom, hoe heet het ook weer…’ Han wist ook wat ik bedoelde, en beaamde het. Alleen kon ook hij niet op de naam komen. ‘Anorexia komt de hele tijd in me op. Zoiets, daar lijkt het op…’ wartaalde ik tegen hem. ‘MELANCHOLIA!’ riep hij op zijn beurt. Net zo foutief. Na tevergeefs een zitplaats uit de wind te zoeken, kwamen we er tenslotte toch op: Manuscripta. Natuurlijk.

‘Best logisch, eigenlijk…’ peinsde Han. ‘Waar kwamen wij mee aanzetten? Anorexia, melancholia… wat zegt dat over ons?’ Ik trok een denkrimpel. ‘Dat zegt iets over wat wij van de gemiddelde boeklezer vinden. Wellicht.’

We wisten met onze broodjes het nabijgelegen park in te waaien en confisqueerden een bankje. We aten, we praatten, we zetten ons schrap om niet weg te stormen, we groetten de meeuwen en de ene knalgroene parkiet in het park. En als ware aspirant-alcoholisten nuttigden we midden op de dag een kriekje op een houten bankje. Volgende stop: een museumpje!

Ik zal u de details besparen. Nee, wacht, bij nader inzien: ik zal u het hele museumbezoek vertellen. De volle vier minuten.

We stapten binnen, kregen de vraag of we een tour-met-gids wilden, sloegen dat aanbod af en betaalden. We gingen de eerste ruimte binnen. Drie glazen bakken met oude postzegels en enveloppen. En een mannequin in postbode outfit. De tweede ruimte: een paar kartonnen pop-up borden waar informatie over architectuur in de buurt op te vinden was. En toen: een gesloten deur. Held Han, die wél zo nu en dan met vreemde mensen durft te praten, ging verhaal halen. De rest van het museum mochten we alleen bekijken met een gids. Die over een klein half uur zou komen. Maar aan de overkant was nog een museumtuin, die wél vrij te bezichtigen was.

Han wierp een vragende blik mijn kant op, met precies genoeg getergdheid erin om mij duidelijk te maken dat hij ook niet stond te springen om een half uur hier te staan wachten naast de kartonnen posters. Ik schudde dan ook mijn hoofd en trok een wenkbrauw op. Wij zijn ijzersterk in woordeloze communicatie als het op sociale situaties aankomt, ziet u. Eendrachtig beenden wij dan ook het museum weer uit, en zochten de overkant op. Grinnikend om het fantastische museumbezoek. Gelukkig hadden we de tuin nog in het verschiet!

Nou ja. Een soort binnenplaatsje tussen de flatgebouwen. Er stonden vier dezelfde antieke girobussen en een handjevol verschillende lantaarnpalen. Een grote foto met omschrijving van een of andere beroemde – of beruchte, dat is mij in alle opwinding ontgaan – paal verhaalde van de tijdspanne en architecturale waarde. De paal had zelfs een naam. Precies dezelfde naam als op het bordje bij een van de verroeste palen stond! Ik keek omhoog, keek weer omlaag naar de foto, wierp mijn hoofd nogmaals in de nek. Verward vroeg ik aan Han of het nu aan mij lag, of dat dit echt twee totáál verschillende palen waren. Zijn kundig oog concludeerde na een seconde of twee exact hetzelfde: wij werden hier driewerf in het ootje genomen.

Na nog een vertwijfelde blik op een plastic kraai die aan een boom geknoopt was, en de drogende, wapperende bonte was van één der balkonnetjes die op de ‘museumtuin’ uitkeek, was het officieel: we hadden het wel gezien.

Harbor Amsterdam

Van al deze culturele overdaad moesten we natuurlijk even bijkomen. Ondanks de tegenwind ploeterden we door de havens en kwamen met spierpijn in de bovenbenen en een gratis facelift aan bij een eetcafé-boot. Score: 4 personeelsleden, 2 klanten, 2 honden en 1 konijn. Een van de honden was een reusachtige Berner sennenhond die volgens mij in zijn eentje al menig boot had laten zinken. Zijn enorme lijf bewoog zich naar de open haard in het bootcafé toe. Daar rommelde hij wat tussen de blokken hout, om een halve boom te kiezen die hij in zijn bek nam. Hij sleurde het ding naar een centraal plekje en zeeg neer. Binnen een minuut of drie was de halve stronk tussen zijn kaken tot moes vermalen. Ik had hem zo mee naar huis willen nemen. Hij zou naast een prima waakhond ook een heel aardig vervoermiddel zijn, bedacht ik.

Ondanks de indrukwekkende hond was het een beetje sfeerloos en koud op de boot. We trotseerden dan ook wederom de storm om, nadat we naar een bonte zwaan gezwaaid hadden, weer in de buurt van het centrum te belanden. Een onverwachte hagelbui dreef ons het dichtstbijzijnde café in. En dat was een schot in de roos.

Failed attempt

Hoezee! Al mijn sociale angsten kregen daar een welverdiende pauze. Een piepklein bruin kroegje, waar vaste klanten permanent vrolijk zijn en de uitbaatster een volkse engel. Waar de ingelijste wijsheden vergeeld zijn en de barkrukken wankel. Ik voelde me er meteen thuis. De stormparaplu van Han mocht in een hoekje uitdruipen terwijl wij ons vochtpeil verhoogden en ons aantal geheimen voor elkaar verlaagden. De klok verdreef het daglicht en voor we het goed en wel doorhadden was het alweer tijd voor iets voedselachtigs en de trip naar het station.

We kochten friet, vermomd als patat, in een dönertentje waar een kat in de bloembakken woonde. De hemel begon spontaan dikke druppels van ontroering te huilen bij het zien van onze bakjes vet, dus we nuttigden ons voedsel schuilend in een portiek. We kwamen er nog achter dat krulletters achterstevoren niet te ontcijferen zijn, dat lichamen een vaste route volgen, dat stormparaplu’s ook niet alles zijn in een hagelbui met tegenwind, en dat Amsterdamse voetgangerslichten wat aanmoediging nodig hebben. (Ze blijven eeuwig op rood tot je zelf maar begint over te steken, dan springen ze spontaan op groen.)

Aan het station moesten we alweer veel te snel afscheid nemen omdat mijn volgende avontuur al stond te trappelen. Maar daarover meer in het volgende log. Iets met het Hilton hotel, scheldende bibliotheekdames en nog iets heel verdrietigs.

Waar ik 1645 woorden nodig heb om de dag samen te vatten, doet Han dat op twitter in 14 woorden:

Dus. Nu ik erover nadenk: misschien moet u hem voortaan maar om een verslag vragen.

*Koprol

Ze stapt in een trein. Groen. Alles is groen. De wanden groen, de ruiten groen getint, de bekleding van de stoelen: groen. Hier en daar een krantje, een tas, allemaal groen. De gladde vloer onder haar voeten is even groen. De schuifdeuren, de tafeltjes, de prullenbakken. Groen groen groen. Vooraan zit een koppel, al op leeftijd. Zij draagt een groene rok met groene panty en groene instappers. Haar groene jas met groene sjaal dicht om zich heen gewikkeld. Hij zit weggezonken in zijn groene windjack. Groene sokken piepen tussen zijn groene pantalon en groene schoenen uit.

Nee, denkt ze. Hier wil ik helemaal niet zijn. Nog even probeert ze alles in het wit. Wit wit wit, wanden, vloeren, stoelen, mensen: wit. Ze zet zelfs een jonge vrouw in haar bruidsjurk in één van de coupés. Bedenkt er nog een poedel bij. Wit uiteraard.

Maar nee. Het klopt allemaal niet. Laat maar. Dit werkt niet. Ze gooit de trein van een steile klif, ziet hoe de vonken van het metaal spatten als het ding de diepte in stort. De coupés scheuren aan flarden, ze gooit er op gepaste tijden wat ledematen uit. Delen van de trein vliegen in brand, de rookontwikkeling zorgt voor een slecht zicht, maar ze weet dat de weinige mensen die nog niet dood waren door de val, nu wel fijn allemaal stikken in de gloeiendhete rookwolken. Hè verdorie, denkt ze, nu wordt het meteen weer zo luguber.

Ze probeert een grasveld. Nee, een zwembad. Niet weer zo’n groen geval alsjeblieft. Ja. Zo’n privézwembad, in een overdekte kamer. Het complete dak is een koepel, waardoor je de sterren in de nacht kunt zien. Er hangt een serene sfeer, alles lijkt door melkglas bekeken. Ze draait een muziekje, iets lounge-achtigs, terwijl ze naakt in het water duikt. Verwarmd water, niet muffig heet, maar precies aangenaam. Verfrissend zonder een enkele rilling. Ze laat haar hand een bescheiden voor in het water trekken. Het oppervlak zet zich in beweging, rimpelt zacht tegen de wanden aan. Ze zwemt geluidloos. Ho, nu loopt haar make-up opeens uit. Dat hoort er niet bij. Geen make-up? Ach wat, gewoon de perfecte mascara die niet van zijn plaats wijkt, ongeacht hoe nat haar gezicht wordt. Haar lichaam trekt ze ietsje strakker. Niet teveel, het lijkt er nog op, alleen die paar minpuntjes vereffent ze. Ze zwemt naar de overkant, gracieus. Ze zet er een heel klein beetje slow-motion op.

Ja. Dit lijkt er wel op. Met een soepele draai begint ze aan een nieuw baantje. Het ruikt zelfs naar melk hier. Een kalme, lichte geur. Ze zet een kat op de rand van het bad. Gewoon zo’n kleine grijze, een beetje lui van het spelen, die haar – liggend op z’n zij – met zijn groene oogjes volgt. Zodra ze de kant nadert, begint het kleine ding te spinnen. Ze glimlacht. Vlak voor de tegelwand duikt ze onder, met een koprol zet ze weer koers naar het midden van het bad. Ze is zo diep gedoken dat ze haar handen even op de bodem kan zetten. Terwijl ze langzaam weer naar het oppervlak zwemt, blaast ze kleine bellen lucht. Ze borrelen perfect langs haar oren omhoog. Nog een stukje, dan komt ze weer boven water. Ze recht haar rug en splijt het oppervlak, haalt adem en gooit haar haren naar achter.

Ze knippert het water uit haar perfecte mascara en boem. Opeens dobbert er een jongeman voor haar. Zijn ogen zwart als de nacht, zijn lijf half onder water. Ze gniffelt, zet hem een moment op de kop in het zwembad. Zijn benen zwabberen recht omhoog. Ze grinnikt. Nee kom, zijn bovenlijf steekt natuurlijk boven het oppervlak uit. Gewoon, zoals het hoort. Hij staat alweer rechtop nu. Hij lacht en slaat zijn armen om haar heen. Och getsie, nu wordt het wel heel stereotype. Dat hoeft nu ook weer niet. Ze probeert drie mannen. Ze dobberen verwachtingsvol om haar heen. Pff, teveel gedoe. Ze zit alweer op de bank. Een kop thee in haar ene hand, precies genoeg afgekoeld om te kunnen drinken. Een boek in de andere hand, precies pakkend genoeg om haar in het verhaal mee te slepen. Een knie opgetrokken, het andere been eromheen geslagen. Ze zoomt uit, ziet de spots van de reclamemakers op het tafereel gericht. Te glad, te perfect. Ze schuurt het wat menselijker: voelt de wallen onder haar ogen, de pijnlijke rug van het scheef zitten. Ze morst wat thee over haar knie.

En nu? Ze zit op haar stoel, tuurt in de donkere woonkamer naar het veel te felle scherm. Ze drukt haar sigaret uit, voelt een nachtelijke kat langs haar ijskoude kuiten strijken. De thee is alweer op. 1.19 uur, geeft haar computer aan. Ze ging vroeg naar bed, was doodmoe. Maar na een uur te hebben liggen woelen stond ze weer op. Haar gedachten waren te druk voor de doodstille slaapkamer. Zo, denkt ze. Dat was het wel zo’n beetje. Oh ja, het regent zachtjes op het veranda-dak. En ze heeft een to-do lijstje geschreven. Meer een don’t-forget lijstje. Dadelijk maar weer naar boven, in bed kruipen, een verse poging tot inslapen doen, in plaats van zichzelf bezig te houden met doelloze fantasieën.

*De schildpad en het wiel

Zowel Kronkel als ik zijn geen fervente Kerstmisvierders. Wel komen we – als het even kan – een van de feestdagen bij elkaar om een gezellige middag te hebben.

In het verleden hebben we al eens knutsels voor elkaar gemaakt en met Kerst aan elkaar gegeven. Vandaag hebben we het iets anders aangepakt: we schreven uit de losse pols een ijzersterk filmscript, regelden alle figuranten, benodigdheden en acteurs en sloegen druk aan het filmen en editen. (Oftewel: we hebben zo low-budget klungelig mogelijk een filmpje gemaakt.)

Goed, vooruit, wellicht, misschien, eventueel, ontgaat u de verhaallijn in zijn totaliteit. Maar wij hebben ongelofelijke lol gehad! (En pijnlijke knieën.)

Dus. Het is nogal cruciaal te weten dat Wiel platliggend niet kan bewegen en gefrustreerd achterblijft. Pas nadat een toevallig-van-de-boom-vallende appel voorbij rolt, komt Wiel op het idee om zichzelf rechtop te zetten en te gaan rollen. Dan wordt de race alsnog zenuwslopend spannend! *kuch*

Nu ja. Lachen dus. Dat deden we volop. En kijken dus. Als u zin hebt om onze 4 minuten creatieve Kerstuitspatting te zien. Klikt u maar even door:

*Copycat

Ik begrijp nu pas waarom het zo heet. Die zwarte hier, die doet dat lapje na. En dat lapje neemt dan weer het een en ander van die zwarte over. Copycats. Een interessant fenomeen hoor.

De zwarte miauwt je horendol als ze aandacht wil. Het lapje hoorde ik gemiddeld twee keer per jaar miauwen als ik het kattenluik eens een keer vergat te openen. Tegenwoordig probeert ook zij een klein verontwaardigd miauwtje als ze dringend behoefte aan een aai heeft, in plaats van gewoon haar neus pontificaal in mijn gezicht te duwen of met haar voorpoten mijn enkels te grijpen wanneer ik langsloop. (Oudhollandsch Katslepen heet dat denk ik, in goed Nederlands.)

De zwarte daarentegen wilde zich op een blauwe maandag met veel moeite nog wel eens verlagen tot een hap in een speeltje, al liggend op de bank. Dat vindt ze al heel wat. Mijn lapje op haar beurt is een uitstekende keeper en tennisser. Ik gooi zevenduizend keer een bal door de kamer en zij vliegt erachteraan, tackelt, mept en ambushed het ding. Iets waar de zwarte dan weer minzaam op toezag. Maar lo and behold: na maanden is ze dan toch gezwicht! Gisteren is ze zowaar vijf minuten lang in volle actie-modus achter een bal aangerend, gesprongen, gebuiteld en gedoken. (Wat nogal wat impact op de houten vloer en meubels heeft: zij is twee keer zo groot en zwaar als mijn lapje. En een brok lomper, wegens weinig oefening. Een heus avontuur dus.)

Wat ik dan weer ietsje minder vind, is dat ze samen ook zo hun nieuwe gewoonten kweken. Na bijna een jaar in één huis wonen zijn ze nog altijd verre van vrienden. Ze tolereren elkaar, en dat is dan alleen op goede dagen. Er wordt dus nog geregeld geblazen en gemept, als een van de twee zich in vijandig territorium waagt of iets anders doet waar de andere kat het helemaal niet mee eens is. Nu hebben ze samen zoiets fijns ontwikkeld! Wanneer een van de twee zich rotgeschrokken is door een aanval van de ander, kotst die betreffende kat haar maaginhoud over de vloer. En daar zijn ze dus héél eensgezind in. Geen uitzonderingen, gewoon altijd, waar je ook bent, wat er ook gebeurt: hoppa, die hele mik ineens eruit.

Ik moedig eendracht toe, begrijp me niet verkeerd. Maar dit vind ik toch een beetje flauw.

Het mooie van dit soort gewoonten is dan wel weer dat ik dingen bijleer. Zo blijk ik zonder veel problemen te kunnen herkennen wiens peristaltiek het af liet weten. De zwarte kauwt haar brokjes, het lapje hapslikt ze in originele staat weg. Dus de brij in mijn atelier is van de zwarte, terwijl de perfecte hoop brokjes in de slaapkamer van het lapje is. Leuk hè, dat heb ik dus voorheen nooit geweten!

Dus.

*Een wat?!

Ik stond gisteren in de rij voor de kassa bij Kruidvat. Voor mij stond een koppel. Zo’n net wat te gestylde, gladde, perfectly groomed, iets te net geklede jongeman, u kent het type wel. Ringbaardje, gelpiekhaar, spencer over een blouse, gebruind gelaat. Daarnaast stond zijn vriendin. Je ziet de twee types vaak samen: een soort poppetje. Beetje barbietrekjes. Mooi gezicht, perfect figuur, maar dan wel iets kinderlijks proberen te behouden. Zij had een zwarte skinny broek en zwarte coltrui aan. Daaronder knalroze pumps. Daarbij knalroze nagels. En dito oorbellen. En op haar rug – ik kon haar voorkant niet zien – zat een grote roze elastische baan die met haakjes sloot. Precies op het midden van haar rug.

Ik vroeg me natuurlijk af wat die roze band zou zijn. Een soort haltertop? Mijn blik dwaalde naar haar nek, maar nergens een spoor van een roze halter. Wel een knalroze hengsel van een waarschijnlijk knalroze tas op haar schouder. Ik draaide en leunde wat naar rechts, maar kon haar nog steeds niet van voor bekijken. Goed. Geduld dus. Ik moest nu wel weten wat het was natuurlijk. Ik keek naar wat ze zoal naar de kassa bracht. Vier dozen roze en rode kerstslingers voor in de boom. Dozenvol roze kerstdecoratie. Ze liep nog even uit de rij terwijl haar vriend geduldig bleef wachten, en kwam terug met een knots van een plastic Hello Kitty figuurtje gevuld met snoep. Ik grijnsde, het paste er helemaal bij.

Toen waren ze eindelijk aan de beurt. Ze stapelden alle spullen op de smalle toonbank en terwijl hij al klaar ging staan om alles in te laden, graaide zij in haar knalroze tas naar haar knalroze portemonnee. Ik bleef – ietwat scheefhangend maar niet te veel – naar het koppel kijken, hopend op het verlossende antwoord. Wat was dat roze ding nu toch? Het moest pal onder haar borsten zitten van voren. Wat kon het dan toch zijn? Geen riem want te hoog. Geen haltertop want geen bandje in de nek.

Ze wilde pinnen. Mooi! Dan moest ze zich een slag draaien, om bij het apparaat te kunnen. Nu zou ik het weten.

Ze friemelde haar pinpas uit een klein vakje, ik zag dat ze bijpassend roze oogschaduw op had. Toen liet ze haar tas zakken en werd het roze mysterie zichtbaar.

Mensen. I kid you not. Ze had een twintig centimeter grote roze strik pal op haar middenrif. Serieus. Eentje met veel laagjes, en echt knalroze. Een megastrik! Onder haar borsten! Hij stak nèt niet uit langs haar beide zijden.

Nou en toen dacht ik dus: kon ik dáár maar een foto van maken. Want niemand gaat dit geloven.

(Toen ze hadden afgerekend en vertrokken keek ik haar blijkbaar nogal verbaasd na, want de blik van de caissière waar ik me naartoe draaide sprak boekdelen. Ook zij had nogal verbaasd gestaan over De Roze Strik. En dat was dan toch een beetje fijn, dat we samen even grote ogen konden opzetten en een scheef lachje. Want dat zie je dus niet vaak. Zo’n zwarte outfit met een megasuperknalschreeuwerigrozereuzenstrik onder je borsten.)