Ze staat voor de kapstok. Nee, daar staat ze nog niet, ze zit nog op haar stoel, achter haar computer. Maar in gedachten staat ze er al, te kiezen welke jas ze aan zal doen. Ze weet precies wat er hangt, al haar shawls en vesten en jassen, en zelfs welke bovenop hangen en welke weggemoffeld zijn achter anderen. Ze wil haar stoere jas aan, maar zal dat niet doen. Daar is het de dag niet voor. Nee, dat denkt ze niet, ze denkt: daar is het de stad niet voor. Maar eigenlijk weet ze wel dat dat onzin is, vorige week was het er wel de stad voor. Het ligt aan mijn stemming, denkt ze. Nee, dat denkt ze pas later, achteraf, wanneer ze allang weer binnen is en haar jas alweer aan de kapstok hangt.
Wanneer ze de voordeur opent, loopt er net een jonge vrouw langs. Sorry, denkt ze, dat ik je liet schrikken, denkt ze, dat er net een deur openvliegt op het moment dat jij dicht langs de huizen loopt, denkt ze. Misschien schrok ze wel helemaal niet, spreekt ze zichzelf verplicht toe. Ze sluit de deur en loopt de hoek om. Een man loopt haar tegemoet. Ik zie er niet uit, denkt ze. Nee, dat is niet waar, ze denkt: die man vindt mij lelijk. Hij nadert. Zie maar, hij kijkt niet eens mijn kant op. Wanneer ze elkaar passeren ziet ze dat hij ouder is dan ze op het eerste zicht dacht. Zijn haren vallen nonchalant over zijn teruggeweken haarlijn. Hun blikken kruisen, heel kort, nietszeggend.
Het zebrapad, ze staat er nu recht voor. Een rij auto’s. De eerstvolgende remt niet af, vliegt langs haar. Eikel, mompelt ze. Nee, ze mompelt nooit, dus ook nu niet. De tweede auto stopt netjes, de bestuurder maakt het bekende waai-gebaartje met haar hand boven haar stuur. Ga maar. Glimlach. Ze steekt over, glimlacht terug terwijl ze knikt. Nee, ze knikt niet, ze steekt even kort haar hand op. Dank u. Aan de overkant de bank binnen wandelen. Er zit een dame aan de balie, ziet ze door de glazen deur. Wat vervelend, denkt ze, ik moet helemaal niet bij haar zijn, maar enkel bij de pinautomaat meteen binnen in de hoek. Als ik de deur open denkt ze een klant te hebben. Zal ik haar nu juist wel of niet aankijken? Eerst niet, dan wel. Ze opent de deur, blik op de klink. Ze sluit de deur, draait zich om en werpt een snelle blik op de dame. Die kijkt niet op of om, gaat niet eens rechtop zitten, steekt haar nagelvijl niet eens weg. Ik besta niet, denkt ze. Nee, zo dramatisch doet ze niet: ze merkt me niet op, denkt ze, die ziet waarschijnlijk honderd mensen per dag naar de pinautomaat lopen. Pas wanneer ze de gang rechtdoor wandelen, gaat de nagelvijl in het bovenste laatje.
Dahag, denkt ze, wanneer de glazen deur achter haar in het slot valt. Fijne dag nog, denkt ze. U ook, denkt ze. Er hangen twee jongemannen op een bankje, naast de glasbak. Ze voelt eventjes de verplichting naar ze te kijken, gecombineerd met de tegenzin contact te moeten maken om erger te voorkomen. Dan ontspant ze: dit is een ander land, een andere stad, een andere wijk. Ze roepen me niks lelijks na wanneer ik ze negeer. Nee, zo gaat het niet echt. Het is meer een onbewust verkrampen en weer loslaten, zonder de woorden die nodig zijn om het aan anderen te omschrijven. Een rudimentair gevoel van onveiligheid, meegenomen uit vervlogen tijden.
Het rode mannetje. Wachten op zijn groene onderbuurman. Een oude dame staat voor het fietspad te wachten. Een iets jongere dame, druk telefonerend, houdt halt naast de oude dame. Zijzelf loopt vier passen verder, tot voorbij het fietspad, naar het stukje stoep tussen de rode fietsbaan en de autoweg. De oude dame kijkt haar afkeurend na. Nee, dat kan zij helemaal niet zien, ze heeft geen ogen in haar rug. De kletsende jongere vrouw komt naast haar staan. Ze voelt zich meteen gesterkt, zie je wel, oud mens, iedereen doet dat hier. Groen. Oversteken. Een man komt de hoek om. Ze loopt iets trager. Hij sloft ook maar wat. Flut, denkt ze, nu lopen we in elkaars weg. Ik kijk wel even in die volgende etalage, denkt ze. Hij blijft voor de etalage staan. Ook goed, denkt ze. Hij loopt weer door op het moment dat ze hem zou passeren. Ze zucht. Nee, ze zucht niet hardop, maar rolt met haar ogen. Nee, dat is niks voor haar, ze trekt kort haar mondhoek op en zet er even flink vaart achter. Dat werkt gelukkig wel.
Zal de caissière beledigd zijn als ik haar plastic tasje afsla en de spullen in deze tas erbij stop? Ze hoort haar baas van ooit weer praten: geef de tassen met logo mee, dan maken ze reclame op straat. Op de toonbank plakt een briefje: ‘Wij vragen een bijdrage van 10 cent voor onze plastic tasjes om het milieu te ontzien’. Dan zullen ze het vast niet erg vinden, denkt ze. Nee, dat denkt ze niet, ze denkt: zullen ze dan nog balen dat ze tien cent minder inkomsten hebben als ik mijn eigen tas gebruik? Ze betaalt en steekt de spullen in haar tas. Niemand trekt een geweer, niemand begint te huilen.
Ze loopt naar huis. Ze is zo moe. Zo leeg, zo vol. Ze steekt de sleutel in de deur, eindelijk, veilig binnen. Jas aan de kapstok, tas op de vloer, ploft op haar stoel, leest iemands blog. Ze bekijkt haar eigen reactie van eerder die dag nog eens. Daaronder commentaar van de schrijver. Bedankt, lieve woorden, je bent zo lekker impulsief. Haha, denkt ze.
Nee, dat denkt ze niet. Treurig kijkt ze naar het scherm en steekt een sigaret op.