Welkom in mijn geest!

Wandel rond, kijk om u heen, neurie een melodietje,
ga op een gedachte zitten, blijf even stilstaan bij een verhaal
als u wilt – en laat eventueel een stukje van uw geest achter.
Want denken doet geen zeer, toch? 
(Voor de duidelijkheid: zo schrijf ik wat ik schrijf.)


egeltjegrey.jpg

En vergeet niet: ruilen kan altijd! Graag zelfs.

U kunt mij ook vinden op deviantArt:
Wenz op devArt

Mijn handgemaakte kledinglijn vindt u hier:
The Screaming Needle

*Gram & In-zicht

Veelal ruil ik achter de schermen. In alle logstilte zweven de mooiste creaties via mijn ruilpagina de mailbox in.

Zo nu en dan wordt er eentje publiek gemaakt, wanneer de ruiler dat zelf wil. Zo ook Riekster. (Wie haar nog niet leest, gaat heen en geniet. Woorden zoals deze, of deze, zeer de moeite waard.)

En zij ruilde dus. Een pracht van een gedicht. Krachtig en beladen, met een vleugje schijnbare luchtigheid. Ik geniet iedere keer weer van deze onverwachte juweeltjes in mijn mailbox, en vind het heerlijk uitdagend iets gelijkaardigs terug te ‘moeten’ doen.

Want ruilen, dat betekent dat er ook iets van mijn kant zal komen. Zij mocht op haar beurt drie woorden voor mij kiezen waaromheen ik een gedicht zou doen aanwassen.

Die drie woorden waren

-lading:1. vracht 2. munitie in een vuurwapen, springlading 3. bijgedachte, gevoelsinhoud

-karakter 1. figuur, letterteken 2. iems eigenschappen; aard, inborst 3. goede eigenschappen 4. het eigenaardige, typische

- kartel 1. overeenkomst tussen zelfstandige ondernemers om concurrentie (gedeeltelijk) op te heffen, m.n. door prijsafspraken 2. insnijding langs de rand

En zo ging ook ik aan de slag.

Mijn tegenruil:

In-zicht

Hij had het uitgedacht
tot in de puntjes
zoals dat zo mooi heet
Hoe hij gelukkig zou zijn
zou raken en vooral zou blijven

Hij zou van haar houden
en zij van hem
zoals niemand ooit deed
Hun liefde het vrachtschip
de lading hun warme lijven

En hij aan het roer
het kompas rotsvast in de hand

Hij zou haar binnenvaren
in zijn veilige haven
en daar voor anker gaan
Hoe ze oud zouden worden
onder elkaars toeziend oog

Maar dat zijn havengebied
uit niet meer dan drijfzand
voor haar bleek te bestaan
Waar zijn liefde voor haar
veel te zwaar op hen woog

En zij niet eens meer omkeek
vanaf de kade aan onbereikbaar land

Hoe hij stuurloos dreef
op het loze wrakhout
waar geluk ooit te water was gelaten
De kartels sneden diep
in zijn trillende ziel

En hij overdacht stil
die vreemde scheuren,
roestplekken, lekkages, gaten
Hoe ze hadden kunnen zinken
en hoe diep hij viel

Maar nooit werd hem duidelijk
dat zij simpelweg op zijn karakter was gestrand

*Rood met witte stipjes

Terwijl ik zo’n 30 vierkante meter aan Klimop in kleine stukjes aan het knippen was afgelopen week, kwam ik ook langs dit exemplaar. Ik knipte hem pardoes in deze juichende positie, maar durf te betwijfelen of hij echt zo blij is om in stukjes gehakt te zijn.

RaarMannetje01

RaarMannetje02

Nu ben ik natuurlijk erg nieuwsgierig naar waarom deze plant rood vanbinnen is, en wélke plant het is. Maar Google leverde zo snel niets zinnigs op helaas. Mocht er hier zomaar een Groene Vinger aanwezig zijn, houd uw wijsheid dan vooral niet voor u. :)

*Onéérlijk!

Na een ochtendje shoppen in Antwerpen centrum stapte ik weer vrolijk in de tram terug naar Daar-Waar-Ik-Woon, een ritje van een dikke tien minuten alvorens ik zo goed als voor mijn deur word afgezet. Ik stap meestal twee haltes voor centraal station op, en zo ook weer vandaag.

De tram was goed gevuld, en iedereen zat rustig voor zich uit te staren. De deuren sloten, de tram vertrok en kwam op snelheid. Nog geen vijfhonderd meter verder vertraagde hij weer, en kwam met tegenzin tot stilstand. Mijn tramlijn gaat gedeeltelijk door ondergrondse tunnels, dus we stonden in een grauwe betonnen koker zonder licht een paar minuutjes stil. Mensen schuifelden wat, mensen keken wat om zich heen, mensen strekten hun nek uit alsof ze dwars door het bestuurdershokje heen konden kijken naar de reden van onze plotse stop.

Ding-dong. Onze bestuurder vertelde ons dat er verderop wat problemen waren maar dat eraan gewerkt werd en we dus even geduld moesten hebben. Als ware het een slechte symfonie, trokken zo’n twintig mensen hun mobieltjes en begonnen verwoed te smssen en te bellen. De stemmen weliswaar gedempt, maar een golf van onrust trok door de tram. Afspraken! Te laat komen! Verveling, wat te doen! Het schuifelen en draaien en gaan verzitten nam toe met iedere minuut dat we langer stil stonden.

Ding-dong. Aangezien er hier in de tunnel geen voetpad is, kan ik niemand eruit laten. Gelieve nog wat geduld te hebben. Iedereen bleef rustig zitten, begon wat in koffertjes en tassen te rommelen, staarde naar de betonnen muren om de tram heen. Zo’n twintig minuten vanaf onze stilstand later werd er opeens op onze ramen gebonkt. Een stel jongens liep door de smalle doorgang tussen tunnel en tram langs ons heen. Al snel volgden er meer mensen, oud en jong, die in ganzenpas langs de tram trokken.

En toen gebeurde er iets opmerkelijks.

De helft van de passagiers sprong als door wespen gestoken op. Ze stampten, renden, walsten naar de achterste deur van onze tram, in de veronderstelling dat deze open stond. Achteraan aangekomen bleek onze tram goed dicht te zitten, de ganzenmeute naast ons bleek dus van een voertuig achter ons te zijn. (Na een dik kwartier stilstand zouden er al snel zo’n tram of tien in de file staan.) En toen werden de opspringers dus boos.

Door elkaar heen werden nu met de nodige stemverheffing de volgende zinnen geuit: ‘Ja maar dat is niet éérlijk, als zíj eruit mogen, dan mogen wíj er óók uit!’ en ‘Ja hallo, zíj mogen wél weg en wíj niet? Dat is onéérlijk!’ en nog enkele varianten van deze uitspraken. Ik stond met mijn oren te klapperen en kon een grijns amper onderdrukken. In gedachten zag ik een stelletje kleuters stampvoetend in het gangpad staan, schreeuwend dat Pietje wél op het hek mocht klimmen en zij níet en – stampvoet stampvoet – dat is toch niet éérlijk?!

Ergens vond ik het ook wel schattig, dat een hele kluit volwassen tramreizigers dit deed. Kijk, ik woon nu een aantal jaren in België en heb duidelijk gemerkt dat er een groot verschil is tussen de Nederlandse en de Vlaamse mentaliteit, wat dat betreft. Voor mij als Nederlander – zachtaardige Limburger dan nog wel – is het soms opmerkelijk te ervaren hoe timide de gemiddelde Belg is. Er heerst hier een sfeer van ontzag voor gezag, van je meerdere nooit tegenspreken, van ervan uit gaan dat de dokter het altijd beter weet, de ambtenaar altijd gelijk heeft en ga zo maar door. Het is echt een verschil, hoe volgzaam en berustend de mensen hier zijn. Waar de gemiddelde Nederlander al tegen een prullenbak staat te stampen als de trein niet komt, blijven Belgen over het algemeen heel beschaafd en stil, soms op het – voor mij – ongelofelijke af. De enige uitlaatklep voor de Belg lijkt soms wel het verkeer te zijn, waar iedereen voorrang neemt wanneer het hen uitkomt en parkeert waar het lekker dichtbij is. Om dan vervolgens werkelijk iedere bestuurder in auto’s die langs de idioot en gevaarlijk geparkeerde eerste auto moet manoeuvreren, geïrriteerd te zien mompelen, mokken en fronsen. Maar niemand, geen enkele chauffeur, haalt het in zijn hoofd om te claxonneren. Want hee. Dat zijn je zaken niet. Ik ga niet mijn kop boven het maaiveld uitsteken. En zo zie ik dus soms hele stromen auto’s een file vormen in hun poging om die ene auto heen te rijden. Die dan allemaal zo gefrustreerd raken dat ze bij het volgende kruispunt met vol gas door het oranje stomen en nog een paar anderen snijden in het voorbijgaan. Maar ik dwaal af.

Dat deze gezagsgetrouwe en kalme mensen hier in die tram dan toch de moed vonden om een voor hen niet al te voor de hand liggende daad te stellen, namelijk in opstand komen, het niet pikken, hun mond opentrekken, dat is dan toch weer opmerkelijk om te zien. Dat ze dat nu juist in dit geval doen, wanneer er even een opstopping bij de tram is, en de bestuurder lekker onbereikbaar in zijn met veiligheidsglas gepantserd hokje zit, dat ze dit nu doen wanneer ze zien dat een andere trambestuurder het niet zo nauw neemt met mensenlevens en een groep passagiers op die halve meter tussen tram en tunnel laat schuifelen, dat is dan weer wat knullig, maar ach. Het had iets aandoenlijks, deze mensen die niet opgegroeid zijn met het idee dat je je mond mag opentrekken, te horen roepen dat het onéérlijk was. Onéérlijk! Om dan vervolgens met z’n allen in het gangpad te staan mokken. Niemand die een deur probeert te openen, niemand die op het hokje van de bestuurder tikt en verhaal gaat halen, nee: gewoon tegen elkaar en de passagiers die wel rustig bleven zitten, roepen dat je hier wordt benadeeld ten opzichte van de ganzen in de tunnel.

Na een minuutje kwam onze tram weer in beweging. Als bij toverslag verstomden alle gesprekken. Als bij een stoelendans kon men niet snel genoeg een plek vinden om te gaan zitten. Doordat er dus mensen in de tunnel liepen, moest onze tram stapvoets verder rijden, maar we haalden langzaam maar zeker alle wandelaars in, en kwamen ruim voor de voetgangers bij het volgende tramstation aan, waar alle ongeduldige mensen ons rijtuig uit konden vluchten. In alle rust vervolgden wij onze weg.

kapot

(Ik twijfelde nog of ik bij Centraal Station eruit zou stappen en de trein naar huis zou nemen, maar onze tram leek net weer lekker op dreef dus ik bleef toch maar zitten. Twee halten ná CS kregen we te horen dat deze tram niet meer naar Daar-Waar-Ik-Woon zou rijden, maar af zou slaan naar Daar-Waar-Ik-Helemaal-Niet-Woon-En-De-Weg-Niet-Weet. Ik ben dus uitgestapt en heb nog ruim een uur naar huis gelopen. Daardoor kwam ik wel langs de plek waar de problemen begonnen waren: een bovenleiding was compleet omlaag getrokken (waarschijnlijk door een te hoge vrachtwagen) en hing in stukken over de weg. Ik ben nog over de nodige brokstukken gestapt en langs alle hulpauto’s en hoogwerkers geslalomd, terwijl ik toekeek hoe een druk kruispunt vol ongeduldig verkeer omgeleid werd door de verkeerspolitie. Ik heb langs de lange file gewandeld die daardoor ontstaan was. Lekker in de zon gelukkig, en onderweg pikte ik zelfs nog een chocolade milkshake op. Zo kwam ik met rode wangen van het wandelen dan toch veilig thuis aan, in totaal twee en een half uur nadat ik besloten had mijn tram te nemen. Mijn ritje van een klein kwartier was dus ietwat verlengd, maar ik had het hele avontuur voor geen goud willen missen.)

*Erna en Door

Kijk, ik ben heel blij voor haar dat ze de eerste vrouwelijke voorzitter van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie is hoor. Dat we dat even duidelijk hebben. Met de dame zelf is ook totaal niets mis, prima uiterlijk, welbespraakt, kalm, vriendelijk, intelligent. Maar toch trok ik mijn wenkbrauw op bij het lezen van haar naam. Helemaal zoals het in de zinsconstructie stond.

Meneer die-en-die zal kijkersvragen beantwoorden. Erna Kortlang is ook aanwezig blablabla. Wat? Er is een meneer, en daarna ook iets met kort en lang?

Ha, wacht, het is haar voornaam: Erna. En ‘Kortlang’ is dus haar achternaam. Haar over- over- over- overweetiknietwat grootvader heeft in de tijd van Napoleon toch redelijk wat humor gehad denk ik dan. “Achternamen? Waar is dat nu weer voor nodig? Wat een onzin.” En dan nadenken natuurlijk, een lange achternaam? Een korte juist? Janszoon, Keeszoon en Pieterszoon vond hij maar niks. Hij woonde ook niet in de buurt van een moeras, dus eindigen op -broek viel ook al af.  “Ach zoek het toch lekker uit met die achternamen, nergens voor nodig! Ons kent ons!” riep hij balorig, en met een grijns noemde hij ‘Kortlang’ als de naam waar zijn familie de rest van de geschiedenis mee verder zou moeten.

Erna.
Ervoor.
Erachter.
Ertussen.

Kortlang.
Langkort.
Kort-kort-lang.
Kort-lang-kort.
S.O.S.
Inspector Morse.

En zo kom je dan natuurlijk op de term ‘cameo-optreden’, een woord dat ik vorig jaar pas voor het eerst heb gehoord.

Maar laat ik u niet vervelen met gedachtesprongen.

Erna dus. Kortlang. Als je zo’n naam zou verzinnen in een boek, film, een logje desnoods, zou iedereen denken: slecht verzonnen naam zeg, tsk, alsof iemand echt zo zou heten. In het echt, weet je wel.

Nou. Wel dus. Kan ik lekker ‘Door Zwoegenmaar’ opvoeren in een van mijn volgende fictieve stukjes. Ik denk dat ze een bepaald type is, die Door. Rectrix van een MBO-school, zoiets. Zwart haar in een scheiding tot aan haar oren. Te opzichtige oorbellen, flodderblouse en vormeloze pantalon. En nu dus volkomen geloofwaardig, met dank aan Erna Kortlang.

*Mooi foutje

Een verrassing bij het openen van de broodzak:

Broodkunst

Normaal gesproken haal ik mijn neus op voor wit brood, maar op deze manier verweven met het bruin brood kan ik het zeker waarderen. En het héle brood is zo, dat maakt mijn ontbijt dit weekend in ieder geval een vrolijk gebeuren.

*Absorptievermogen

Het knallende onweer, zo lang geleden. Terwijl het tegen mijn badkamerraam klettert, sta ik met één been in 2001. Hij en ik waren op zoek naar een plek die niet bestond. Daarvoor reisden wij af naar een gehucht in Venlo, of was het Nijmegen? De bossen, een anti-kraak huis. Zou dat het worden? Ver weg van ieder stadsleven. Drie verdwaalde boeren onderweg, de ene blik nog achterdochtiger en afkeurender dan de ander. Het huis was vervallen, maar dat waren wij ook. Een halve kilometer te gaan na uren lopen, in de verte zagen we het krot al staan. Steekvliegen, hele zwermen. En geen omweg te bekennen. Erdoorheen, slaand, rennend, vloekend, moe en hongerig. Het bleek een prachtig voorteken. Het huisje, een vloer met vier muren, twee ramen, een dak. Goor, kapot, toch al eens gekraakt. Met de fiets drie kwartier naar het dichtstbijzijnde station, gokten we. Niet veilig voor een meid alleen. Niet realistisch. Dromen vervlogen, de terugweg nog ver voor ons uit strekkend. Door de verlaten bosweggetjes, door het vijandige dorp, langs wegen zonder stoep. En toen de storm. Het regende niet, het hoosde. Het onweerde niet, het ontplofte. En wij, zonder hoop, eten, paraplu, jas of plan. Doordrenkt binnen de minuut. Nog twintig minuten naar de dichtstbijzijnde bus. Blijven lopen, al soppen je schoenen, al snijden de druppels in je gezicht. Een lange tocht. En toen de bushalte, geen hokje om te schuilen, enkel een paal met een bord. Wachten, vijf, tien, twintig minuten. En daar, zie je hem, daar is hij, wij gaan nog thuis raken vannacht, zie toch, hij komt, de bus, zie hoe de koplampen in het donker oplichten, striemen regen over de doffe lichtbundels. De bus, hij naderde, hij kwam, hij reed ons straal voorbij. Het laatste restje doorzettingsvermogen trok hij gemeen met zich mee de nacht in.

En dan het volgende beeld. Ik, een jaar of vijftien, mijn slaapkamer, grote ramen, uitkijkend op de voorkant van de straat. De lantaarns die ronde cirkels geel lekken op de doordrenkte keien. Zoveel regen ineens dat de putten het niet aankunnen, de straat staat blank. Dat geluid van de stortbui in het water, hoe zou zwemmen in de regen voelen? Mijn raam moest altijd open, ik met mijn benen over de vensterbank. De treurnis van de verlaten straat, het donker, het kletteren in je oren. Eenzaam, en hoe dat aansloot bij wie ik was. Wat ik niet huilen kon, deden de wolken voor mij. Wat ik niet bevatten kon, deed het riool overstromen.

Ook nu moet het raam weer open, maar dan op kiepstand, want klein katje, want partner die daar anders over denkt, want ander leven. Toch moet ik het horen, ruiken, tot in mijn maag voelen. De hemel licht op, ook hier is de straat overstroomd. Dan glipt die ene keer naar binnen, die ene keer dat we onze stoute schoenen aantrokken en midden in de plensbui het bos in gingen. Hoe de eerste druppels zo nat leken, maar toen we eenmaal doordrenkt waren niets ons meer kon raken. Hoe we ons gezicht ophieven, hoe we stampten in de plassen, hoe we lachten en schreeuwden. Hoe we uiteindelijk onze straat weer bereikten, hoe een man met een hond, regenjas, paraplu, ons bevreemd aankeek. Hoe we naar binnen buitelden, onze kleren afstroopten, de open haard stookten. Hoe we vervuld, gezuiverd en onbezorgd waren.

Ik loop terug naar de wasbak, pak mijn tandenborstel en glimlach naar mijn spiegelbeeld. In een flits zie ik Ellen staan. Klein figuurtje met gespreide armen op het schoolplein van de school waar ik niet hoorde maar wel altijd was. Hoe zij tijdens een hoosbui als enige het lege plein op liep. Doodstil. Met een lachje rond haar lippen. Hoe de groep reageerde, verdeeld, je bent gek, dit is te gek. Hoe zij en ik achter haar aan gingen, samen midden op het plein doordrenkt raakten. Hoe we daar in de oorverdovende stilte elkaar aankeken, elkaar begrepen in al ons puber-zijn, mens-zijn. Hoe hij ons naar binnen probeerde te trekken, de hal in. Hoe wij weigerden, je snapt het niet. Hoe de clichés van verkoudheid en wat te doen de rest van de dag in uitwringbare kleren ons om de oren geslagen werden. Hoe wij eventjes verzusterden, alvorens weer in onzeker dwalende entiteiten uiteen te vallen.

Hoe regenbuien en onweer in je ziel verankerd kunnen zijn. Hoe dit boven komt drijven bij de sporadische enorme storm. En hoe dit, ’s ochtends na het ontwaken, zo goed als verdwenen is. Een enkele druppel op de planten, een iets donkerder wegdek, een vaag gevoel van nostalgie, een hardnekkige glimlach rond je lippen.

*Meneer Kouter

“Deze mandjes winnen de schoonheidsprijs ook niet echt he? In de supermarkt hier verderop, dáár hebben ze pas goede mandjes, en nieuw hè, spiksplinternieuw, helemaal van kunststof, en lichtgewicht, ongelofelijk. Deze zijn al helemaal verroest. En zwaar.” De vrouw naast hem glimlachte, zei dat ze niet zo’n mandjeskenner was, en liep het gangpad in. Hij wandelde op zijn gemak erachteraan.

Bij de papierwaren bleef hij staan. Willekeurig trok hij wat ordners van het schap, bekeek ze van alle kanten, zette ze weer terug. Hij tilde schriften op en wreef met zijn hand over het plastic van een bundel ruitjespapier. “Mooi spul hoor, hier. Met de schoolgaande kinderen kun je toch zo vijftig euro besparen op al dat spul, véél goedkoper dan bij V&D, maar even goed!” Het meisje in zijn buurt keek nieuwsgierig naar hem op, haar vader knikte en zei dat hij helemaal gelijk had. “Zie die klemmen maar eens, van de ordners. Dat is geen kattenpis, dat vertel ik je. Onverwoestbaar als je het mij vraagt.” De vader knikte beleefd, vroeg zacht aan zijn dochter of ze al gekozen had.

Verderop stonden de schoonmaakspullen, daar was het druk. “Iedereen heeft tegenwoordig zo’n Swiffer-stok geloof ik, verdomde handig, die dingen. Maar die naam? Ik had hem Zoefer genoemd, omdat het zo snel gaat, hahaha!” De twee dames naast hem lachten mee. Een van hen vertelde dat ze niet meer zonder zou kunnen, dat de stofzuiger bijna overbodig was nu in haar huis. “Ja dat klopt, maar een pak suiker over de vloer, daar kan zo’n Swiffert niet tegenop natuurlijk. Doe die stofzuiger nog maar niet de deur uit!” Hij knipoogde en wandelde verder.

In een schap op de hoek lagen allemaal stenen vogeltjes. Hij pakte er eentje op, bekeek het gedetailleerde verfwerk van dichtbij. Naast hem zei een jonge vrouw tegen haar vriendin dat ze moest komen kijken naar die leuke vogels. “Ze zijn ook echt mooi hè? Ik neem er denk ik ook een paar mee. Die kun je op de vensterbank zetten, of eigenlijk overal, staat hartstikke leuk.” De twee dames beaamden zijn woorden, een van hen antwoordde dat ze zo echt leken. “Heb je hem al opgetild? Zwaarder dan je denkt. Daar zit geen gat onderin, die zijn helemaal massief.” Hij zocht er vier uit, twee gele en twee bruine. De dames legden er ook een paar in hun mandje.

Bij de sokken hield hij weer halt, keek in de vakken of er nog donkergroene waren. Naast hem zocht een man een bundeltje sportsokken in de goede maat. “Die gebreide, daar heb je lang profijt van. Warm in de winter, en de hele herfst ook te dragen. Goed spul ook, honderd keer gewassen en de rek is er nog lang niet uit!” De man naast hem knikte, zei dat hij helaas allergisch was voor wol. “Zonde hoor, je weet niet wat je mist.” Hij zag achterin nog een paar groene liggen en liet ze snel in zijn mandje verdwijnen. “Sport je dan ook?” De man keek hem verward aan. “Ja, ik bedoel, er staat toch op dat het sportsokken zijn!” Vervolgde hij zijn grap. “Dan moet je wel naar je werk joggen hè, als je die aanhebt!” Hij grinnikte voldaan. De man glimlachte naar hem, zei dat hij werkelijk iedere dag met de fiets naar zijn werk ging. “Zo zo, een uitslover.” Hij knipoogde en tikte tegen zijn pet voor hij verder liep.

Bij het badschuim en de douchegels hield hij nog even halt. Terwijl hij zocht naar zijn vaste product, stond een vrouw naast hem in een soort sponzen te knijpen. “Wat een rare sponzen zijn dat, lijkt wel een roos van gaas!” De vrouw grinnikte, zei dat dit sponzen om te scrubben waren, puffs genoemd. “Skrubbelen? Wat is dat dan?” Ze legde geduldig uit dat deze dingen je dode huidcellen verwijderden, dat het lekker fris voelde na gebruik. “Dode huid? Mijn lieve kind, dan zou er bijna niets meer van me overblijven!” Hij bulderde door de zaak. “Vijftig jaar geleden had ik daar wat aan gehad, maar nu is het te laat!” Ze grinnikte met hem mee, zei dat dat toch zeker nog wel meeviel. “Skrubbel jij maar goed, dan blijf je er lang zo jong uitzien.” Ze glimlachte, hij dacht haar zelfs een beetje te zien blozen.

Bij de kassa’s stonden geen klanten, hij kon zo doorlopen. Achter de lange toonbank stonden drie kassières met elkaar te praten. Hij ging voor één van de kassa’s staan en zette zijn mandje neer. Hij wachtte even, maar de drie waren druk aan het overleggen waar de nieuwe vracht naartoe moest en merkten hem niet meteen op. “Jongedames!” Hij rechtte zijn rug en wachtte tot hij hun aandacht had. “Dat is typisch vrouwen, dat staat altijd maar te babbelen en te babbelen, daar is geen woord tussen te krijgen!” Een van de meisjes was naar de kassa gelopen en verontschuldigde zich terwijl ze zijn spullen begon te scannen. “Wijlen mijn vrouw was precies zo: nooit een momentje rust en het schoot ook niet op, boodschappen doen was op iedere hoek babbelen met alle buurvrouwen. Ik zeg het je, vrouwen, die staan nooit zonder woorden. Altijd een weerwoord klaar! Heb ik gelijk of heb ik gelijk?” Het meisje lachte en zei dat hij wel eens gelijk kon hebben. “Doodvermoeiend, dat vrouwvolk!” Hij nam zijn portemonnee en knipte hem open. “Wat is de schade vandaag, jongedame? Stop alles maar in een zakje, dat ik maar snel de rust kan opzoeken!”

*Tobor

Laatst kwam ik op een of andere Amerikaanse online shop terecht, waar ze allemaal leuke hebbedingetjes en kleding van kleine zelfstandigen verkopen. Ik neusde rond en vergaapte me aan al het moois en soms ook raars. Zo kwam ik op een gegeven moment terecht bij een klein robotklokje. Zo’n dingetje dat je om je nek hangt, en waar een mini analoog klokje in zit. Ja! Hebben! Zoals ze dat zo mooi in het Engels kunnen zeggen: This little thing had Wenz written all over it.

Niet alle Amerikaanse shops verzenden spullen naar Europa, dus dat ging ik eerst maar even uitzoeken. Klik en klik en doorklik, en daar was alle informatie. Ze verzenden wel, joepie! Helaas wilden ze ook maar al te graag winst maken. Om mijn kleine robotje te verzenden, moest ik naast de vijfentwintig dollar die het ding kostte, ook nog eens tweeëntwintig dollar verzendkosten betalen volgens hen. Ruim vijfenveertig dollar voor zo’n hebbedingetje, dat ging mij toch echt te ver. (Mede omdat ik weet dat de verzendkosten hoogstens twee euro zijn voor vergelijkbare kleine frutsels die ik in het verleden besteld heb.)

Goed. Toen begon de zoektocht dus. Alles heb ik in Google ingetypt, van ‘Necklace robot watch’ tot ‘Little robot chain clock’. De schaarse resultaten die ik kreeg waren veelal niet wat ik zocht, en als het al eens echt om een robotklokje ging, dan was het gifgroen en van plastic, of iets anders afgrijselijks. Maar na veel gezoek en geklik kwam ik terecht op de nationale marktplaats, het omstreden Ebay. Daar zat een friemel- en frutselverkoopster, helemaal vanuit Hongkong.  De lieve schat had mijn robotje! Zilverkleurig nog wel! Goed, er zat een goedkope flutketting bij, maar dat is te vervangen. En de prijs? Een belachelijke tweeënhalve dollar. Verzendkosten inbegrepen. Ik knipperde met mijn ogen en werd eventjes achterdochtig. Had ik het verkeerd gelezen, was het helemaal niet zo’n zelfde robotklokje, stond er een fout? Nee, wat voor mij een belachelijk laag bedrag lijkt, blijkt voor hen een prima prijs te zijn. Dan was er alleen nog de kleine kans dat ik nooit iets zou ontvangen. Maar voor die paar euro nam ik dat risico zonder twijfel.

Ik maakte een account aan en kocht mijn felbegeerde ‘Silver Robot Necklace Chain Pocket Watch Keyring Clock’. En toen moest ik natuurlijk nog geduld hebben, want zijn reis kan zomaar een kleine maand in beslag nemen. En wie mij een klein beetje kent, weet dat ik dan dus bij wijze van spreken iedere dag voor de brievenbus lig, hoopvol en ongeduldig, ‘lief robotje’ murmelend tot het ding eindelijk hier aankomt. Ahum. Maar mijn wachten werd beloond! Na tweeënhalve week plofte hij op mijn deurmat.

En nu heb ik hem al bijna twee weken ieder dag om mijn nek, het klokje blijft het prima doen, de armpjes zijn er niet afgevallen, je kunt er uren mee spelen, kortom: ik heb een nieuw vriendje! Binnenkort zal ik hem een waardige ketting geven, een upgrade zeg maar, naar eliterobotje.

Mag ik vol trots aan u voorstellen: Tobor*, mijn robotje!

*Kleine zij hier in huis stond erop dat het dingetje een naam had, want haar giraffe-oorbelletjes hebben ook namen: Gieffie en Gaffie. Dus. Vandaar. Ik kon niet achterblijven. Nu praten de drie wezentjes geregeld met elkaar, en dat is toch gewoon hartstikke menselijk? Nou dan.

*En nu moet er nog eens iemand beweren dat wij dezelfde taal spreken…

“Knappe debardeur met rolkraag”

“Aanstekers in geel met rood maat 38″

“Truitje met uitgefitselde rand onderaan”

“Mooi golfje roos met witte mouwen”

“Knap kleedje met zijtirette”

“Leuk floere bloesje”

“In okergroen met glimmertjes”

Er gaat een compleet nieuwe wereld voor mij open, lieve dames en heren medebloggers en lezers. Ik duik in de tweedehands zoekertjes op de Belgische varianten van Marktplaats, en ik heb meteen het gevoel totaal geen idee te hebben wat er aangeboden wordt. Gelukkig maken foto’s wel wat duidelijk, en heb ik een fijne rasechte Belg tegenover mij aan tafel zitten die het een en ander kan ophelderen wanneer ik met vraagtekens in de ogen hoopvol een woord voorlees.

Dat een capuchon hier een kap heet, laarzen vaak botten worden genoemd, een jurk een kleed is en ‘is gebreden’ een volkomen aanvaarde voltooid verleden tijds-vorm van breien is, dat kon ik nog volgen. Dat bijna alle kledingstukken als ‘knap’ worden aangeprezen waar ik ‘mooi’ zou zeggen, lukt ook nog wel. (En dat ‘twee truis’ en ‘de kleding is gedraagt maar in goede staat’ niet representatief is voor het gros van de Belgen, dat is nog wel duidelijk.) Maar veel verder dan dat kwam ik toch niet.

Dan hier mijn stoomcursus dialect en spreektaal in deze contreien: een mouwloos shirt is een debardeur, instappers zijn hier aansteekschoenen, de kleur roze is vooral te vinden als roos en rose, een tirette is een ritssluiting en velours is in de volksmond ‘floer’. Okergroen deed me glimlachen, en het woord ‘uitfitselen’ voor een onafgewerkte naad die gerafeld is, vind ik eigenlijk gevoelsmatig helemaal kloppen. Was ik net gewend aan de Amerikaanse benamingen op Etsy, dat een vest een jumper is en een mouwloze trui (wat wij ook wel spencer noemen) een vest, krijg ik dit ook nog eens op mijn bord. Een ‘giletje’ heeft hier gewoon mouwen, is vaak gebreid, heeft knopen of een rits, kortom: staat bij mij te boek als vest, maar zoeken op ‘vest’ levert dan weer allerlei jassen en colbertjes op. Wat een ‘golfje’ is, is me nog niet helemaal duidelijk, maar veelal heeft het ook knopen of een rits, dus het lijkt me iets vest-achtigs … En ‘bloesjes’ levert werkelijk allerlei soorten truien, t-shirts en af en toe een verdwaalde blouse op (zoals ik hem ken). Pfff, ik heb het er maar druk mee. En dan kijk ik alleen nog maar naar het kleding-aanbod…

Mocht u ook nu dus ergens snel moeten inburgeren, neem dan deze tip van mij aan: lokale zoekertjes doen wonderen.

*Fade to black

Drie uur zesendertig. Opengesperde ogen. Al is het donker, toch weet ze dat het regent buiten. Ze luistert naar het tikken tegen het slaapkamerraam. ‘Kalmeer’ denkt ze. ‘Denk aan iets anders’ denkt ze. Het helpt niet, het afgrijselijke beeld van daarjuist staat haarfijn op haar netvlies gebrand.

Hij draait zich op zijn rug, diep in slaap. ‘Durf het’ denkt ze dreigend. Met ingehouden adem telt ze de seconden. Acht. Acht seconden voor de eerste grommende snurk aan zijn keel ontsnapt. Ze zucht, sleept zichzelf uit bed.

Op de tast loopt ze naar het krat met het kussentje erin, naast de verwarming. Ze hurkt en steekt haar hand uit. De zachte vacht is ook diep in slaap – kopje suf omhoog om de aaien van haar hand te vangen. Zachtjes spinnen, uit de maat met het snurken achter haar, maar ach.

Het beeld vervaagt eventjes, ze glimlacht naar het warme lijfje onder haar vingers. Pats, daar is het weer, dat gruwelijke beeld. Ditmaal nog heftiger dan eerst, alsof de kleuren dieper gemaakt zijn, de textuur grover is en de camera inzoomt voor een close-up. Haar maag draait zich om.

‘Weg hier’ denkt ze, en loopt zachtjes de slaapkamer uit. Ze graait een broek en trui van de badkamer, wandelt de trap af. ‘Iets praktisch’ denkt ze, ‘en een kop thee’. Er moet nog een tas ingepakt worden. Terwijl de waterkoker pruttelt en borrelt, zoekt ze de spullen her en der bij elkaar. Het gekraak van de plastic zak doet haar ineen krimpen; in nachtelijke rust klinkt alles oorverdovend luid.

Terwijl ze het theezakje in het water doopt, roept ze voorzichtig het beeld op. Ja, het is al iets minder erg. Ze stelt zich voor hoe het wegdrijft, afstand neemt van haar gevoel, de nacht in terwijl het langzaam uiteen valt in losse pixels. ‘Ga maar’ denkt ze. ‘Ik wil je niet’ fluistert ze.

Het internet slaapt nooit. Ze leest hier en daar, het voelt raar. Haar ochtendritueel van sites midden in de nacht aflopen lijkt niet te kloppen. De regen lijkt niet onder de indruk, die gaat onveranderd door. Terwijl de thee afkoelt, vervaagt het beeld verder. Langzaam sijpelt het uit haar systeem, zoals dat gaat met nachtelijke tragedies in droomvorm.

De eerste gaap breekt weer door. Ze weet dat ze nog eventjes moet wachten, het beeld ligt nu op haar plek onder de deken nog te treiteren. Ze kijkt de kamer rond op zoek naar nog een klusje om haar voeten weer stevig op de grond te krijgen. Verse brokjes, die handschoenen kunnen richting kapstok, en die stapel leesvoer ordenen.

Ze drinkt haar laatste slokken thee. Tijd om schoorvoetend de trap op te gaan, de nacht terug in te stappen. Een muziekje voor de afleiding, een por tegen het snurken, een zucht tegen de klok. Dat het maar snel licht mag worden.

*Vergeef mij mijn bestaan

Ze staat voor de kapstok. Nee, daar staat ze nog niet, ze zit nog op haar stoel, achter haar computer. Maar in gedachten staat ze er al, te kiezen welke jas ze aan zal doen. Ze weet precies wat er hangt, al haar shawls en vesten en jassen, en zelfs welke bovenop hangen en welke weggemoffeld zijn achter anderen. Ze wil haar stoere jas aan, maar zal dat niet doen. Daar is het de dag niet voor. Nee, dat denkt ze niet, ze denkt: daar is het de stad niet voor. Maar eigenlijk weet ze wel dat dat onzin is, vorige week was het er wel de stad voor. Het ligt aan mijn stemming, denkt ze. Nee, dat denkt ze pas later, achteraf, wanneer ze allang weer binnen is en haar jas alweer aan de kapstok hangt.

Wanneer ze de voordeur opent, loopt er net een jonge vrouw langs. Sorry, denkt ze, dat ik je liet schrikken, denkt ze, dat er net een deur openvliegt op het moment dat jij dicht langs de huizen loopt, denkt ze. Misschien schrok ze wel helemaal niet, spreekt ze zichzelf verplicht toe. Ze sluit de deur en loopt de hoek om. Een man loopt haar tegemoet. Ik zie er niet uit, denkt ze. Nee, dat is niet waar, ze denkt: die man vindt mij lelijk. Hij nadert. Zie maar, hij kijkt niet eens mijn kant op. Wanneer ze elkaar passeren ziet ze dat hij ouder is dan ze op het eerste zicht dacht. Zijn haren vallen nonchalant over zijn teruggeweken haarlijn. Hun blikken kruisen, heel kort, nietszeggend.

Het zebrapad, ze staat er nu recht voor. Een rij auto’s. De eerstvolgende remt niet af, vliegt langs haar. Eikel, mompelt ze. Nee, ze mompelt nooit, dus ook nu niet. De tweede auto stopt netjes, de bestuurder maakt het bekende waai-gebaartje met haar hand boven haar stuur. Ga maar. Glimlach. Ze steekt over, glimlacht terug terwijl ze knikt. Nee, ze knikt niet, ze steekt even kort haar hand op. Dank u. Aan de overkant de bank binnen wandelen. Er zit een dame aan de balie, ziet ze door de glazen deur. Wat vervelend, denkt ze, ik moet helemaal niet bij haar zijn, maar enkel bij de pinautomaat meteen binnen in de hoek. Als ik de deur open denkt ze een klant te hebben. Zal ik haar nu juist wel of niet aankijken? Eerst niet, dan wel. Ze opent de deur, blik op de klink. Ze sluit de deur, draait zich om en werpt een snelle blik op de dame. Die kijkt niet op of om, gaat niet eens rechtop zitten, steekt haar nagelvijl niet eens weg. Ik besta niet, denkt ze. Nee, zo dramatisch doet ze niet: ze merkt me niet op, denkt ze, die ziet waarschijnlijk honderd mensen per dag naar de pinautomaat lopen. Pas wanneer ze de gang rechtdoor wandelen, gaat de nagelvijl in het bovenste laatje.

Dahag, denkt ze, wanneer de glazen deur achter haar in het slot valt. Fijne dag nog, denkt ze. U ook, denkt ze. Er hangen twee jongemannen op een bankje, naast de glasbak. Ze voelt eventjes de verplichting naar ze te kijken, gecombineerd met de tegenzin contact te moeten maken om erger te voorkomen. Dan ontspant ze: dit is een ander land, een andere stad, een andere wijk. Ze roepen me niks lelijks na wanneer ik ze negeer. Nee, zo gaat het niet echt. Het is meer een onbewust verkrampen en weer loslaten, zonder de woorden die nodig zijn om het aan anderen te omschrijven. Een rudimentair gevoel van onveiligheid, meegenomen uit vervlogen tijden.

Het rode mannetje. Wachten op zijn groene onderbuurman. Een oude dame staat voor het fietspad te wachten. Een iets jongere dame, druk telefonerend, houdt halt naast de oude dame. Zijzelf loopt vier passen verder, tot voorbij het fietspad, naar het stukje stoep tussen de rode fietsbaan en de autoweg. De oude dame kijkt haar afkeurend na. Nee, dat kan zij helemaal niet zien, ze heeft geen ogen in haar rug. De kletsende jongere vrouw komt naast haar staan. Ze voelt zich meteen gesterkt, zie je wel, oud mens, iedereen doet dat hier. Groen. Oversteken. Een man komt de hoek om. Ze loopt iets trager. Hij sloft ook maar wat. Flut, denkt ze, nu lopen we in elkaars weg. Ik kijk wel even in die volgende etalage, denkt ze. Hij blijft voor de etalage staan. Ook goed, denkt ze. Hij loopt weer door op het moment dat ze hem zou passeren. Ze zucht. Nee, ze zucht niet hardop, maar rolt met haar ogen. Nee, dat is niks voor haar, ze trekt kort haar mondhoek op en zet er even flink vaart achter. Dat werkt gelukkig wel.

Zal de caissière beledigd zijn als ik haar plastic tasje afsla en de spullen in deze tas erbij stop? Ze hoort haar baas van ooit weer praten: geef de tassen met logo mee, dan maken ze reclame op straat. Op de toonbank plakt een briefje: ‘Wij vragen een bijdrage van 10 cent voor onze plastic tasjes om het milieu te ontzien’.  Dan zullen ze het vast niet erg vinden, denkt ze. Nee, dat denkt ze niet, ze denkt: zullen ze dan nog balen dat ze tien cent minder inkomsten hebben als ik mijn eigen tas gebruik? Ze betaalt en steekt de spullen in haar tas. Niemand trekt een geweer, niemand begint te huilen.

Ze loopt naar huis. Ze is zo moe. Zo leeg, zo vol. Ze steekt de sleutel in de deur, eindelijk, veilig binnen. Jas aan de kapstok, tas op de vloer, ploft op haar stoel, leest iemands blog. Ze bekijkt haar eigen reactie van eerder die dag nog eens. Daaronder commentaar van de schrijver. Bedankt, lieve woorden, je bent zo lekker impulsief. Haha, denkt ze.

Nee, dat denkt ze niet. Treurig kijkt ze naar het scherm en steekt een sigaret op.

*De gevlogen vogel

Daar lag het opeens, glashelder op de vloer. Een vogeltje. Echt een klassiek vogeltje. Snaveltje, lijfje, sierlijke staart. In mijn douchebak.

Nu niet meteen denken dat er in België vogels in de leidingen zitten, dat is niet het geval. Ik had simpelweg gedoucht en de druppels en poeltjes water in de douchebak bleven liggen in de vorm van een vogeltje van zo’n centimeter of tien. Een doorzichtig vogeltje en profil. Maar toch zo opvallend vogelig, zo onmiskenbaar vogelbaar, zo zonder twijfel vogelachtig, dat ik dacht: hee, daar maak ik een fotootje van.

Dus moest ik even mijn camera halen. Toen ik terug kwam, was mijn prachtige vogeltje gereduceerd tot een soort van lompe kiwi, de uitgestorven variant dus. Zonder staart en met een slurfje als snavel. Gewoon een plasje water dus eigenlijk, met een uitloper. Dat had ik natuurlijk kunnen weten, mijn kattekopje Kaia heeft namelijk de gewoonte om na mij de douchecabine in te wandelen, om daar de plasjes van de vloer te likken. (Alsof in haar waterbakje niet evengoed lauwwarm water zit. Maar ach.) Dus tja. Mijn kat had de vogel opgelikt.

Nu vond ik het – universumgewijs – dan toch wel aardig wat er vanmiddag gebeurde. Een merel of kraai had ergens in een naburige tuin een bijna leeg voernetje opgepikt, u weet wel zo’n vetbolletje dat uit elkaar gepikt is maar wel nog in dat groene netje zit, en liet dat, alsof het een script volgde, precies bovenop mijn golfplaten dak vallen. Op de veranda dus. Dat is een mooi woord voor in-de-jaren-negentig-met-golfplaten-overkapt-stukje-huis-tussen-twee-muren. Kortom: zo’n ding waar je weinig mee kan omdat het ijskoud en vervallen is.

Mijn kattekopje schoot door de kamer, vloog de veranda in en knalde haarzelf bovenop de kast die daar staat, om maar zo dicht mogelijk bij het tafereel te kunnen raken. Want jazeker: wel drie vogels zaten om het voedsel geschaard en hipten (met veel gebonk) over het dak, rukkend aan en smijtend met het begeerde netje vol voedsel.

En toen heeft ze dus een kwartier lang zitten miepen en ‘blaffen’ en draaien en ongeduldig zitten zijn om die beesten te kunnen bespringen. Maar dat gaat dus nogal lastig, vanonder dat dak. Strak van de adrenaline draaide ze haar lijfje rond op de kast, bij iedere hip van een vogel meer gefrustreerd dat ze er niet bij kon.

Dus. Hoppa: het universum weer in evenwicht. Dat zal haar leren ooit nogmaals onschuldige watervogeltjes te verorberen.

Kaia-en-de-onbereikbare-vogels

*En de chocola is trouwens ook op.

Ik ben er dus nog. Dat u dat even weet.

Maar. Van die dingen. Een griep. (Of hoe ongelofelijk blij ik met neusspray kan zijn.) Een logee. (Of hoe een dame voor de derde keer haar beenspier kan scheuren en moet uitzieken.) Een bange kat. (Of hoe de meegebrachte logeerkat lekker door mijn huis banjert terwijl mijn eigen heldinnetje dagen niet onder het bed uit komt, tenzij met grof geweld de nodige overredingskracht.) Een huishouden. (Of hoe alles altijd maar doorgaat, ongeacht of dat nu uitkomt of niet.) Zinken kisten en lijkzakken. (Of hoe je je opeens verdiept in crematies en uitvaartverzekeringen omdat je realiseert dat je in het buitenland woont – hoe dichtbij het ook is – en er allerlei regels gelden voor vervoer van dode Wenzen aangezien het een beetje raar is je hele familie- en vriendenkring naar het buitenland te laten komen voor een crematie.) Creativiteit. (Of hoe je uit grote gummen stempels kunt snijden/ de naaimachine weer herontdekt wordt/ er klei bestaat die in je eigen huis- tuin- en keukenoven gebakken kan worden.) Stumble upon. (Of hoe de bizarre dingen van het internet aan je voorbij rollen alsof het de normaalste zaak van de wereld is.) Pakketjes aan de deur. (Of hoe je verdwaalt in de vintage-afdeling op Etsy en de meest bijzondere creaties uit bijvoorbeeld de jaren vijftig voor vijftien dollar kunt kopen.) Verdwalen. (Of hoe hoofdpersonen in romans bijna vrienden van je lijken en je zo graag wil weten hoe het met ze gaat.)

Ik ben er dus. En eigenlijk heb ik best tijd om te loggen. En eigenlijk heb ik ook duizend ideetjes om neer te pennen. Maar. Dat de gordijnen gewassen moeten worden, en je erachter komt dat je de roede moet losschroeven om die gordijnen in de wasmachine te krijgen. En je de ladder nodig hebt om daaraan te kunnen. En die ladder buiten in de sneeuw/regen staat. De antieke houten ladder. Dat je daarna dus spontaan de witte keukenvloer moet dweilen. En je dan ziet dat de anti-kras dingen onder de tafelpoten niet meer onder de tafelpoten zitten. Dat je dan in de kelder kasten overhoop moet halen om nieuwe te zoeken die wél nog plakken. Dat je dan ziet dat er nog een was in de droger zit. En trouwens, dat je vergeten bent vlees uit de vriezer te halen vanochtend. En… Van die dingen dus. Dat er opeens weer een week voorbij is waarin je eigenlijk bést tijd had om te loggen. Maar het er tóch niet van kwam. Dat je even het gevoel hebt geleefd te worden, in plaats van je leven te leiden.

Dat je je even niet helemaal op je plek voelt, zoiets, weet u wel. Niks ernstigs, maar toch.

dino-at-home

* Stijgende lijn

Sinds ergens in mijn twaalfde levensjaar begon ik mijn ogen op te maken. Oogpotlood, mascara, en soms oogschaduw. Laten we voor de zekerheid mijn dertiende jaar nemen. Vandaag ben ik ongeveer achtentwintig jaar en negen maanden. Dat wil dus zeggen dat ik al vijftien jaar en negen maanden mijn ogen zo goed als dagelijks opmaak. (Ja, ik ben een van die vrouwen die dus zonder oogmake-up de deur niet, onder geen beding, uit gaat.) (En ja, ik was een van die vroegrijpe tieners die – weliswaar met paars haar en piercings in het gezicht – op haar vijftiende al een stamkroeg had. Waar ik dan wel nog nooit tot na middernacht was gebleven, maar toch. Hoe dan ook: make-up hoorde bij mijn dagelijks ritueel, want ook op de weg naar school was er kans op loslopende leuke jongens.)

En snelle rekensom levert dit op: 15 x 365 plus 9 x 30 (plus 4 want sommige maanden hebben 31 i.p.v. 30 dagen)= 5475 plus 274 = 5749 dagen. Tel daarbij nog 4 schrikkeldagen op = 5753. Laten we er even voor het gemak vanuit gaan dat ik gemiddeld 3 dagen per jaar zo ziek in bed lig dat ik geen make-up op heb. 15 x 3 = 45.

Dus 5753 – 45 = 5708.

Al die tijd heb ik twee ogen gehad, die ik ook beide van een lijntje voorzag iedere dag. (Wat begon met paars en wiebelig – dat paste zo leuk bij mijn opa-model alternatieve pantalon -, naar zwart en dik – in mijn donkere tijd – , tot lichtbruin en subtiel vandaag de dag.) Dat brengt ons op 5708 x 2 = 11416.

Wenz'oog

Goed, ik heb dus welgeteld al elfduizendvierhonderdzestien keer een oog van een lijntje voorzien tot nu toe. (Om eerlijk te zijn, ik heb ook vaak vriendinnen van oogmake-up voorzien voor we naar de kroeg gingen, dus eigenlijk staat de teller hoger, maar laten we hier even van mijn eigen ogen uitgaan.)

Hoe kan het dan, lieve mensen, dat ik na een praktijkervaring van meer dan elfduizend keer – het zou toch niet misstaan op menig curriculum vitae – nog steeds van die ochtenden heb waarop mijn lijntje hopeloos buiten zijn oevers treedt en ik met één subtiel opgemaakt oog en één Manga-achtig, monsterlijk vreemd oog voor de spiegel sta?

Dit zou zomaar een onopgelost mysterie tot het einde der tijden kunnen zijn. Óf een doortrapte, met magie doorspekte verkoopstrategie van de producenten van wattenschijfjes.

Hm. Tja.

* 2010

En zo staat er alweer een nieuw jaar voor de deur. Twee-nul-één-nul, het ziet er zo rond en af uit, maar het moet echt nog beginnen.

Het afgelopen jaar was voor mij een jaar van niet enkel uit dat diepe, donkere, eenzame en angstige dal kruipen, maar zelfs weer met plezier naar buiten gaan, met een glimlach communiceren, met voorpret iets in de buitenwereld plannen. Tegenwoordig doe ik vrolijk mijn gordijnen open, word ik op straat begroet door mijn postbode, klets ik met de dame aan de kassa en fiets ik onverschrokken door dit Belgische land op weg naar waar ik maar wil zijn. (En als het regent, dan neem ik gewoon de tram. Alsof het niets is.)

Ik ben er nog niet. Dat voel ik. Ik heb nog steeds grenzen liggen waar er vroeger geen waren. Ik pieker nog altijd bij vlagen over nutteloze en oncontroleerbare dingen. Ik durf nog niet alles, maar wel al weer veel. Mijn hart is weer een beetje toegankelijk voor de buitenwereld, mijn ogen zien graag meer dan mijn eigen navel en de vier muren om me heen. Ik ben zelfs weer aan een studie begonnen! Een thuisstudie, maar toch – met de nodige sociale voorwaarden. Als iemand mij dat een dik jaar geleden had gezegd, was ik in een treurige lachstuip geschoten. Overigens ga ik deze studie nu alweer omzetten, van de HBO variant bij één van de twee grote thuisstudienamen naar de Open Universiteit. En stapje hoger, een stapje anders, maar hopelijk ook een stapje richting toekomst, en een stap waar de broodnodige communicatie wél soepel verloopt.

Maar goed. Ik ben er dus nog niet. Niet wat toekomstplannen betreft, niet wat mijn ideaalbeeld van mezelf betreft, niet wat het sociale vlak betreft. Maar ik ben vol vertrouwen en zal me in alle bochten wringen die maar haalbaar zijn voor mij, om het komend jaar voor mezelf een succes te noemen. Iets waar een ander zijn hand niet voor omdraait, is voor mij soms een schier onneembare berg. Maar dat maakt niet uit, ik zal klimmen en ploeteren tot ook ik weer mijn schouders kan ophalen over triviale zaken.

Lieve, mooie, prachtige lezers en medebloggers, wat ik eigenlijk wil zeggen is dit: ik hoop dat u net zoveel zin heeft in dit nieuwe jaar. Ik hoop dat u in de startblokken staat, monter en fris, klaar om de komende twaalf maanden bij de kladden te grijpen en zo te kneden, dat ze in uw voordeel werken. Ik ga in ieder geval mijn best doen om nog enkele grenzen te verleggen.

Kortom: ik wens u allemaal – ja u, stille lezer ook – en evengoed mijzelf een veelbelovend en positief…

2010Wenz

:)

* Inside

Prachtig ritmisch, en erg mooi. De storm en de stilte. De stemmen, de strijd, de façade.

Inside, van Trevor Sands.

*Taxidermisverstand

Nietsvermoedend liep ik door de explosieve drogisterij die we allemaal wel kennen van het rood met gele logo. (Tegenwoordig groen met rood in de nieuwste vestigingen trouwens.) Ik neusde wat tussen de niksigheden en onbenulligheidjes, tussen de dingen-waar-je-nooit-naar-op-zoek-bent-maar-die-je-wél-voor-een-euro-daar-kunt-kopen en andere kleinigheden. Eerst viel mijn oog op de stapel kalenders voor 75 cent. “Zo zeg” dacht ik, “dat is toch absoluut goedkoop, ze zijn nog in vrolijke kleurtjes ook.” Maar toen keek ik ietsje beter en zag ik dat de kalenders niet van 2010 waren. En ook niet… van 2009. Nee: ze waren van 2008. “75 cent?” dacht ik toen, “pfffff.”

Maar toen viel mijn oog op iets nog veel interessanter. Het leek van een afstandje op een bak vol bruingrijze bollen. Op een houten stokje. En ze kostten 1 euro 49 per stuk. Nieuwsgierig als ik ben naar bruingrijze klonten op een stokje, nam ik een kijkje. En wat blijkt? Na de pruimen, druiven en perziken, is het blijkbaar de normaalste zaak van de wereld om gedroogde mussen te verkopen.

Huh?

Jazeker lieve lezers: mijn lokale drogisterij verkoopt klaarblijkelijk dode beesten in verdorde toestand. Sterker nog: ik heb er bewijs van.

Gedroogdemussen

(En daarvoor ben ik tot 3 maal toe teruggegaan, om dit bewuste bordje op de foto te krijgen zonder dat een medewerker me eruit schopte. Mijn handlanger gaf mij dekking en ik ging gehurkt en gewapend met mijn mobieltje stiekem deze prachtige bewoording vereeuwigen.)

Natuurlijk waren het geen échte mussen, maar van die – weet ik veel – piepschuimen dingen beplakt met veren. Ook bij nadere inspectie door mijn handlanger, was er weinig mus in te herkennen en vooral veel bruingrijs. En dat stokje bleek een staart. De snavel was na veel turen te ontwaren, maar voor de zwarte kraaloogjes moest je diep in de veren peuteren om er ook maar de minste glimp van op te vangen. Pootjes, daar zwijgen we al helemaal over.

Musklont

Hoe dan ook: onze missie is volbracht. De klontjes voorzien van onvergetelijk onderschrift zijn een feit. Gedroogde mussen. Anderhalve euro. Dat u het even weet.

*Wat is het tegenovergestelde van voorspellen?

Ik had laatst een stapeltje nieuwe boeken gekocht. En nog een paar tweedehands exemplaren uit vervlogen tijden. Maar eerst moest natuurlijk mijn nieuwste aanwinst, ‘België-Nederland, verschil moet er zijn’ , uitgelezen worden. Ook al een aantal jaren uit, maar nieuw voor mij. Goed, alles prima, super boek trouwens, herkenbaar enerzijds en leerrijk anderzijds.

En toen begon ik dus aan een van de nieuwe boeken. ‘Gebroken’ heet het veelbelovende verhaal. Maar na de eerste twee pagina’s lag er een gapend wit gat voor mij. Ik sloeg de bladzijde om en daar waren de woorden weer. Ik hoopte nog even dat er gewoon een wit tweetal tussen geslopen was, maar helaas, er bleken echt twee volledige bladzijden van het verhaal te missen. ‘Ach,’ dacht ik, ‘ dat lukt nog wel, verhaalsgewijs, denk ik.’ Maar de pagina erna bleek ook volkomen blank. En die daarna dan weer niet. En zo miste ik dus tot twaalf keer toe twee volle bladzijden van het verhaal, iedere keer wanneer ik een pagina omsloeg, wisselden bedrukt en wit elkaar af.

Balen dus. Binnenkort maar terug naar de boekhandel (het was gelukkig een van de nieuwe boeken, niet een tweedehands exemplaar) om een kopie zonder ontbrekende bladzijden te bemachtigen. Ik zette mij over de teleurstelling heen en greep mijn volgende boek van de stapel, om daar vol goede moed in te duiken.

En nu weet ik dus zeker dat boeken humor hebben. Vraag me niet hoe dat werkt, zo onderling, interactie-gewijs enzo, maar dat volgende boek van mijn stapel, (dat overigens prima in orde is) dat heet dus doodleuk…

‘De ontbrekende bladzijden’.
Geef toe, dat is toch wel een glimlach waard.

*Opmerkzaam

De lichten waren uit in de kleine woonkamer. De houten salontafel, zijn uitgezakte fauteuil, ooit bordeaux rood maar nu een onbestemd donker, de kleine cd-kast aan de linkerwand, de grote logge kast, een erfstuk, aan de rechterkant. Hij kon zijn spullen dromen in de ruimte. Nooit botste hij tegen hoeken of poten, feilloos wist hij bij het doorgaans zwakke maanlicht zijn weg.

De gordijnen, de grijs met blauw gestreepte zware dingen, altijd en eeuwig half dicht. Dan valt het niet op, had hij geredeneerd. Dag en nacht, zijn gordijnen bleven in positie, al bijna drie jaar nu. Half tien, en al aardedonker buiten. Hij had een hekel aan de zomernachten: soms wel tot half één ’s nachts bleef het licht in de straat. Maar nu, in november, kon hij als het echt nodig was na zes uur al beginnen.

De muurkast in het halletje. Dan voorzichtig het gevaarte naar het raam brengen. In positie zetten, hij begon altijd bij zijn uiterste gezichtspunt, het eind van de straat, door de bocht nog net goed te bekijken. Daar woonde de vrouw in haar rolstoel. Strakke planning, kon je de klok op gelijk zetten. Kwart voor tien hees zij zichzelf in bed, daarvoor tanden poetsen en omkleden. Dan ging hij door naar het appartementencomplexje in het midden van de straat: de man met de twee Rottweilers, hij minstens zoveel tattoo’s als zijn dunne vrouw. Zij hadden niet eens gordijnen. Als zij een avond simpelweg voor de televisie doorbrachten, raakte hij snel uitgekeken. Schuin boven hen de alleenstaande moeder met twee tienerdochters. Altijd iets te zien. Rechtsonder het echtpaar op leeftijd, ze aten iedere avond om dezelfde tijd hun bakje yoghurt, aan de tafel bij het raam.

Naast het complex de twee mannen, een jaar of veertig, intrigerend. Altijd het rolluik van de slaapkamer dicht, jammer. Wel een goed zichtbare badkamer. Daarna draaide hij zijn telescoop een eindje, vol zicht op de woonkamer van de zakenman en zijn devote vrouw. De directeur stond soms voor zijn raam, staarde de nacht in. De eerste keren schrok hij zich wild, dook weg achter het gordijn. Maar hij kon niets zien, niets weten. Zijn woonkamer een zwart gat voor de overburen. Nu bleef hij ongegeneerd naar zijn onderkinnen kijken, hoe hij zijn sigaar rookte, hoe hij soms zelfs in zijn neus peuterde. Naast hem de woonkamer die bijna altijd donker was. Als er al eens leven was, zag hij mensen in en uit lopen, vreemden, nooit eerder gezien en zoals de ervaring leerde, ook nooit meer opnieuw.

En dan zijn lievelingshuis: de vrouw met haar kanaries. Uren stond ze voor de kooi, zodra de gele dingetjes een kik gaven liet ze alles uit haar handen vallen om haar aandacht op de beestjes te richten. Zelfs als de aardappels overkookten. Zelfs als ze telefoneerde. Ja zelfs als ze zojuist in bad gestapt was. Haar billen stevig, haar borsten klein maar mooi. Haar buik niet meer de strakste, maar een mooi lijf, zeker weten. Hij wist dat ze haar haren regelmatig blondeerde. Ze was gek op appels en had geen televisie. Wel een radio, aan haar bewegingen te zien. Kanaries hadden hem nooit kunnen interesseren, maar voor deze drie voelde hij niets dan dankbaarheid. Er kon zo een uur voorbij gaan wanneer hij haar volgde. Soms stelde hij zich voor dat hij op haar bank zat, naast de kooi. Dat ze tegen hem praatte, voor hem paradeerde, kookte, danste.

Hij schrok wakker van de bel. Het licht probeerde zich al een weg te banen door zijn lamellen. Hij stond al naast zijn bed, verward. Shirt, broek. Nogmaals de bel. Naar de voordeur, de sleutel van de muurkast routineus in de zak van zijn regenjas aan de kapstok laten glijden. Hij schrok van de bel die opnieuw rinkelde. De voordeur op een kier, vragende blik. Daar stond ze. Hoe laat zou het zijn? Negen uur? Elf uur? De ochtend al voorbij?

‘Voor jou, om je te bedanken.’ Hij woelde snel door zijn haar, ging rechtop staan. Hij keek naar wat ze vooruit stak. Een papieren zak met een koordje, een fles wijn waarschijnlijk. ‘Ehhh…’ ‘Pak aan, alsjeblieft! Namens nummer 12, 14 en 16. Zonder jou waren we er niet meer geweest tenslotte, dit is het minste wat we kunnen doen.’ Hij begreep er niets van, stak voorzichtig zijn hand uit. ‘Sorry, maar waar…?’ ‘Vannacht. Ik had niets gemerkt hoor, vaste slaper. Ze hebben zelfs mijn vogeltjes naar buiten gebracht. Jos van verderop wist dat jij het was die had gebeld. Super hoor, echt ontzettend bedankt. Ook namens de anderen dus.’ Vannacht? Hij sliep enkel. Misverstand. Maar zij. Bij hem aan de deur. Misschien het begin? ‘Ja… ach ja, ieder ander…’ ‘Nee nee, jij was het die de brand opmerkte, niemand anders. Bij de heg van de buren begonnen, zeiden de brandweermannen. Net op tijd erbij, anders hadden ze geen huis meer gehad. En wij ernaast… Nogmaals, echt duizend maal dank. Als ik ooit iets terug kan doen, laat het maar weten. Doen hè?’ Haar grote glimlach. Hij knikte, vals bescheiden, een glimlachje. ‘Doe ik. Graag gedaan hoor, het was niets.’

*Zo kun je weer even vooruit

Laatst kocht ik in een of andere bouwmarkt zo’n volkomen overbodig grappig notitieboekje, zo’n dingetje dat volledig uit verschillende afmetingen en kleuren memo’s bestaat. Dan kan ik fijn weer lijstjes maken van alles wat ik moet moet moet wil doen, en ik heb meteen lelijke knalkleurige stripjes om in mijn dikke studieboek te plakken, op plekken waar informatie staat die nog niet in mijn hersenen opgeslagen ligt.

memootjes.jpg

Studieboek? Jazeker. Ik ben dus weer aan een studie begonnen. En thuisstudie dan wel. Maar mét officieel diploma na een aantal jaren studie en de nodige praktijkstages. En dat studeren, dat bevalt me wonderwel. Maar het hele geregel eromheen, dat is nog een ander verhaal. Een online studieomgeving die door een stel hersendode regenwormen in elkaar gezet lijkt, inschrijvingsformulieren die minstens zo ondoorzichtig zijn, mentoren die nooit op mails reageren, examendagen die volgeboekt zitten en lokaties die verspreid over een heel land liggen. Maar ik ga ervoor, en met de  erger je rot en scheld tegen alles wat los en vast zit stap voor stap methode kom ik er vast wel.

studie.jpg

Maar tussen dat fulltime studeren door bestaat er ook nog zoiets als het dagelijks leven. En behalve huishouden, boodschappen doen en andere verplichtingen zijn er natuurlijk ook nog de vrienden, vriendinnen en huisgenoten die zo hun aandacht behoeven. Niet alleen loop ik hopeloos achter met mails beantwoorden, (S. en D. en R. en P. en O. en A. ik mail jullie echt binnenkort terug!) ook heb ik hier een Lief dat over anderhalve week een knie-operatie krijgt en een kleine maand uitgeschakeld zal zijn wat fietsen, autorijden en zelfs lopen betreft. Terwijl hij op krukken de trap af lazert door het huis strompelt en fysiotherapie doet, zal ik als een chagrijnige opgefokte vliegende duizendpoot alles draaiende houden hier.

En dus is de hel losgebarsten stress deze week officieel toegeslagen. Om de schade te beperken ga ik vrijdag een weekendje vriendin-opzoeken tegemoet, gevolgd door een dagje boeken neuzen, om dan komende maandag weer met frisse tegenzin ertegenaan te gaan hier. Het plan is om de laatste vier hoofdstukken van mijn boek af te hebben tegen de tijd dat mijn Lief onder narcose gaat, zodat ik tijd genoeg zal hebben om me op mijn eerste examen voor te bereiden. En de drie verdiepingen huis (voor de puinzooi die wij kelder noemen sluit ik voorlopig even mijn ogen) grondig schoon te hebben zodat ik daar de komende weken niet al te veel mee bezig hoef te zijn. En aangezien ik geen rijbewijs heb, ben ik nu al druk bezig regendansen* onder de knie te krijgen zodat de ritjes op de fiets om de kleine dame hier naar haar school/danslessen/pianolessen/wat dan ook te brengen, hopelijk overwegend zonder ontplofte kroeskop droog volbracht kunnen worden.

Maar tussen alle gedoe door, wist die kleine dame me zowaar nog te strikken voor een middagje tekenen. Dat was al veel te lang geleden! Geen idee wanneer ik er verder aan ga werken, de ideeën zijn er in ieder geval…

lady_in_aanbouw.jpg

nog_steeds_in_aanbouw.jpg

Goed. Ik heb het dus druk.

Oh, en natuurlijk levert mijn gestres nog wel de nodige stommiteiten op. Zo draag ik een van mijn ringen opeens aan de andere hand omdat ik tegen een plank knalde in mijn haast de was op te bergen waardoor mijn wijsvinger een wondje, een bult en een blauwe plek heeft. Ook bestelde ik oorbellen in Engeland in verschillende maten, die ik vanochtend binnenkreeg. Mijn blijheid was snel vervangen voor hoongelach ergernis toen ik merkte van alle maten maar één exemplaar te hebben besteld in plaats van twee. En hoe vaak ik deze week al op de staart van mijn kattebeestje ben gaan staan, dat wil ik niet eens weten. Oh, en als je een molure op het plafond vastlijmt, kijk dan even goed uit of je geduw om het ding aan te drukken niet resulteert in het verschuiven van datzelfde ding waardoor je een berg lijm over het plafond smeert. Het is maar een tip hoor.

Hoe dan ook: tot snel weer! Mijn to-do-lijst roept…

*Ongelofelijk. Mijn spellingchecker kent het woord regendansen niet, maar geeft wel enthousiast de suggestie ‘negerdansen’…