*Absorptievermogen

Het knallende onweer, zo lang geleden. Terwijl het tegen mijn badkamerraam klettert, sta ik met één been in 2001. Hij en ik waren op zoek naar een plek die niet bestond. Daarvoor reisden wij af naar een gehucht in Venlo, of was het Nijmegen? De bossen, een anti-kraak huis. Zou dat het worden? Ver weg van ieder stadsleven. Drie verdwaalde boeren onderweg, de ene blik nog achterdochtiger en afkeurender dan de ander. Het huis was vervallen, maar dat waren wij ook. Een halve kilometer te gaan na uren lopen, in de verte zagen we het krot al staan. Steekvliegen, hele zwermen. En geen omweg te bekennen. Erdoorheen, slaand, rennend, vloekend, moe en hongerig. Het bleek een prachtig voorteken. Het huisje, een vloer met vier muren, twee ramen, een dak. Goor, kapot, toch al eens gekraakt. Met de fiets drie kwartier naar het dichtstbijzijnde station, gokten we. Niet veilig voor een meid alleen. Niet realistisch. Dromen vervlogen, de terugweg nog ver voor ons uit strekkend. Door de verlaten bosweggetjes, door het vijandige dorp, langs wegen zonder stoep. En toen de storm. Het regende niet, het hoosde. Het onweerde niet, het ontplofte. En wij, zonder hoop, eten, paraplu, jas of plan. Doordrenkt binnen de minuut. Nog twintig minuten naar de dichtstbijzijnde bus. Blijven lopen, al soppen je schoenen, al snijden de druppels in je gezicht. Een lange tocht. En toen de bushalte, geen hokje om te schuilen, enkel een paal met een bord. Wachten, vijf, tien, twintig minuten. En daar, zie je hem, daar is hij, wij gaan nog thuis raken vannacht, zie toch, hij komt, de bus, zie hoe de koplampen in het donker oplichten, striemen regen over de doffe lichtbundels. De bus, hij naderde, hij kwam, hij reed ons straal voorbij. Het laatste restje doorzettingsvermogen trok hij gemeen met zich mee de nacht in.

En dan het volgende beeld. Ik, een jaar of vijftien, mijn slaapkamer, grote ramen, uitkijkend op de voorkant van de straat. De lantaarns die ronde cirkels geel lekken op de doordrenkte keien. Zoveel regen ineens dat de putten het niet aankunnen, de straat staat blank. Dat geluid van de stortbui in het water, hoe zou zwemmen in de regen voelen? Mijn raam moest altijd open, ik met mijn benen over de vensterbank. De treurnis van de verlaten straat, het donker, het kletteren in je oren. Eenzaam, en hoe dat aansloot bij wie ik was. Wat ik niet huilen kon, deden de wolken voor mij. Wat ik niet bevatten kon, deed het riool overstromen.

Ook nu moet het raam weer open, maar dan op kiepstand, want klein katje, want partner die daar anders over denkt, want ander leven. Toch moet ik het horen, ruiken, tot in mijn maag voelen. De hemel licht op, ook hier is de straat overstroomd. Dan glipt die ene keer naar binnen, die ene keer dat we onze stoute schoenen aantrokken en midden in de plensbui het bos in gingen. Hoe de eerste druppels zo nat leken, maar toen we eenmaal doordrenkt waren niets ons meer kon raken. Hoe we ons gezicht ophieven, hoe we stampten in de plassen, hoe we lachten en schreeuwden. Hoe we uiteindelijk onze straat weer bereikten, hoe een man met een hond, regenjas, paraplu, ons bevreemd aankeek. Hoe we naar binnen buitelden, onze kleren afstroopten, de open haard stookten. Hoe we vervuld, gezuiverd en onbezorgd waren.

Ik loop terug naar de wasbak, pak mijn tandenborstel en glimlach naar mijn spiegelbeeld. In een flits zie ik Ellen staan. Klein figuurtje met gespreide armen op het schoolplein van de school waar ik niet hoorde maar wel altijd was. Hoe zij tijdens een hoosbui als enige het lege plein op liep. Doodstil. Met een lachje rond haar lippen. Hoe de groep reageerde, verdeeld, je bent gek, dit is te gek. Hoe zij en ik achter haar aan gingen, samen midden op het plein doordrenkt raakten. Hoe we daar in de oorverdovende stilte elkaar aankeken, elkaar begrepen in al ons puber-zijn, mens-zijn. Hoe hij ons naar binnen probeerde te trekken, de hal in. Hoe wij weigerden, je snapt het niet. Hoe de clichés van verkoudheid en wat te doen de rest van de dag in uitwringbare kleren ons om de oren geslagen werden. Hoe wij eventjes verzusterden, alvorens weer in onzeker dwalende entiteiten uiteen te vallen.

Hoe regenbuien en onweer in je ziel verankerd kunnen zijn. Hoe dit boven komt drijven bij de sporadische enorme storm. En hoe dit, ‘s ochtends na het ontwaken, zo goed als verdwenen is. Een enkele druppel op de planten, een iets donkerder wegdek, een vaag gevoel van nostalgie, een hardnekkige glimlach rond je lippen.

9 Reacties

Heeeel mooi geschreven, zusje!! <3

Geplaatst op 22 maart 2010 om 10:32

Ik ben meteen even terug in Zeeland. Uitkijken over onweer over de Schelde. Steeds meer, steeds harder…heerlijk!

Geplaatst op 22 maart 2010 om 10:48

wauw, dit is mooi! Echt een staaltje Wenz!

Geplaatst op 22 maart 2010 om 14:45

Meestal zijn het gebeurtenissen die mijn ladenkastje vol herinneringen van het slot doen springen. Nu is het jouw prachtige proza. Mens, Wenz, je raakt me alweer..

Geplaatst op 22 maart 2010 om 15:30

mooi wenz…

Geplaatst op 23 maart 2010 om 08:52

Het is het gewone slechte weer wat zo vervelend is, dat hele slechte weer is namelijk heel mooi, zoals jij bewijst.

Geplaatst op 24 maart 2010 om 21:52

Ongelofelijk prachtig, dit.
Blijf het voelen Wenz, ‘ander leven’ of niet. Tot diep in je maag en helemaal door naar je voeten. En dan hup, zo weer de aarde in waar de cyclus opnieuw kan beginnen :-)

Dank je voor een geinspireerd stuk.

Geplaatst op 27 maart 2010 om 09:25

Nogmaals gelezen, wat blijft het mooi..

Geplaatst op 11 april 2010 om 11:51

Het is het gewone slechte weer wat zo vervelend is, dat hele slechte weer is namelijk heel mooi, zoals jij bewijst.

Geplaatst op 19 april 2010 om 19:45