*De lok

Ze stapt de trein in, gedreven door de mensenmassa voor en achter haar. Op het tempo van haar voorgangers schuifelt ze de glazen tussendeur door. Daar vooraan, een enkele stoel, nog leeg. Nog drie mensen voor haar, horen ze bij elkaar? Ze lopen allen langs de eenzame stoel, op zoek naar tweezitters of meer. ‘Mooi’, denkt ze, en ploft neer. Haar weekendtas krijgt een plek aan haar voeten. Terwijl ze de hengsels loslaat en haar rug recht neemt ze haar kleine ruimte in zich op. Een vettige Burgerking zak steekt boven het opgeklapt tafeltje uit. En daaronder het kleine klapbare prullenbakje. Het zit stevig dicht, maar wat steekt daaruit?

Onwillekeurig trekt ze haar neus op en duwt haar lichaam stevig tegen de stoelleuning. Getver. Uit het paarse klepje steekt een bos haar. Een stevige streng, een centimeter of twee in doorsnede minstens, de uiteinden onzichtbaar in de prullenbak, maar een flinke lus asblonde, droge haren steken de wereld in.

‘Hoe komt een bos haren hier terecht?’ Ze kan haar ogen er niet vanaf houden, hoe hard ze het ook probeert. Het ziet er walgelijk uit, maar tegelijkertijd ook intrigerend. Het lijkt niet alsof iemand haar borstel heeft leeggeplukt, nee, het lijkt alsof de streng recht uit iemands hoofd getrokken is en in zijn volledigheid in de prullenbak gestopt is. De haren volgen dezelfde vorm, precies zoals een natuurlijke lok op je schouders kan vallen.

Zat er hier vandaag iemand bossen haar uit te trekken op deze stoel? Dat lijkt haar toch sterk. Dan moet het al haast een ruzie zijn geweest; maar wie zou netjes andermans lokken in dat prullenbakje proppen in al zijn woede? Nee, dan hadden de haren wel over het gangpad verspreid gelegen. Of er moet al een passant geweest zijn die de verdwaalde streng opgeraapt heeft. De rillingen lopen over haar rug bij dat idee. ‘Onmogelijk’. Misschien, denkt ze opeens, had iemand wel zo’n grote tas bij zich, het hengsel zwaar over de schouder hangend. Misschien liet zij die tas met een kleine ruk van haar hand wel op de vloer ploffen, gebruik makend van de zwaartekracht. Misschien zat er een pluk haar verstrengeld rond een van de hengsels, en werd die bruut uit haar hoofd gerukt tijdens die ene beweging. En in plaats van opluchting te voelen omdat het zware gewicht van de schouder verdween, vertrok ze haar gezicht tot een pijnlijke grimas toen het ding de grond raakte en haar dikke lok meetrok.

In dat geval zou die persoon beschaamd om zich heen gekeken hebben, stiekem de lok in de palm van haar hand moffelend, terwijl haar andere hand naar haar pijnlijke hoofdhuid greep. Ze zou geschrokken naar de omvang van de schade hebben gekeken, vervolgens beseffen dat dit deel van haarzelf, dat zojuist nog bij haar lichaam hoorde, nu niets meer dan een dode bos haar was. Ze zou razendsnel afscheid nemen en de lok in de prullenbak proppen. Die natuurlijk al aardig vol zat, de halve dag was al voorbij, de trein had al heel wat ritjes heen en weer gemaakt. Ze zou haar hand niet echt in de troep willen proppen, dus ze laat de lok boven het bakje los, duwt dan snel de klep dicht. En dit was dan het resultaat.

Al had ze nu een redelijk plausibele verklaring, de lok verloor weinig van zijn gruwelijkheid. En ondertussen zat ze al een kwartier in een onnatuurlijke houding om haar knieën maar niet in contact te laten komen met de doffe bos haar. ‘Stel dat de mensen rondom mij denken dat het mijn haren zijn?’ De kleur kwam niet helemaal overeen, maar wie zou daar een diepgaand onderzoek naar starten? ‘Hoe dan ook, ik moet nog zeker een half uur in deze trein doorbrengen…’ Ze zuchtte zacht, haar benen vroegen stil om ontspanning, maar ze stond haar lichaam niet toe te dicht bij de vreselijke lok te komen.

De trein remde af, een volgend station was in zicht. De man naast haar in het gangpad nam zijn koffertje en jas en stond op. Ze wachtte tot hij door de klapdeur verdween, greep toen haar tas en stond zelf ook op. Ze plofte in de tweezitter die zojuist vrijgekomen was. ‘Liever een wildvreemd persoon naast me, dan nog langer met verkrampte benen bij die lok blijven zitten.’ Een paar medereizigers wierpen haar een snelle blik toe, maar ze was niet van plan iets uit te leggen. Snel bekeek ze haar nieuwe omgeving: schoon. Ze ontspande en sloeg haar benen over elkaar terwijl ze eindelijk haar boek uit haar handtas pakte. Ondertussen stond de trein stil, in- en uitstappende mensen wandelden door het gangpad.

Ze spiekte van boven haar boek naar de eenzame stoel aan het raam. De lok was vanaf hier ook goed te zien. Daar kwam een jongeman aangewandeld, rugzak en gympen. Ze keek toe hoe hij in de beruchte stoel neerplofte. Hij liet zijn tas van zijn schouder glijden, maar zijn ogen waren op zijn telefoon gericht. ‘Hij ziet het niet eens!’ Ze gruwelde inwendig toen ze zag hoe hij zijn lange benen tegen de stoel voor hem liet rusten. De lok zat nu klem tussen zijn knie en het plastic van de stoel. De jongeman merkte niets op, ging rustig door met een lange sms sturen. Bij het volgende station stond hij weer op en verliet de trein weer. Ze wierp nog een blik op de lok, hij was er nog. Het had net zo goed een vinger kunnen zijn, bedacht ze, het voelt zo persoonlijk, zo menselijk. En die jongen zou doorleven, zich niet bewust van het dode materiaal waar hij tegenaan gezeten had. Er liep weer een rilling over haar rug, ze kon hem moeilijk onderdrukken.

De rest van de reis bleef de stoel leeg. Een klein meisje dat met haar moeder voor haar zat, wandelde wat rond in het gangpad. Haar donkere vlechtjes wipten op bij iedere sprong die ze maakte. Na een paar minuten van luid zingen en zich over de leuning in de schoot van haar moeder laten vallen, dwaalde ze af naar de eenzame stoel. Ze legde haar handjes op de leuning, wilde net gaan zitten, maar toen zag zij het ook. Haar beweging stokte, ze bekeek de lok. Ook zij leek aan te voelen dat dit ding hier niet hoorde. Ze trok haar handen van de stoel en draaide zich snel om. Even kruiste hun blikken elkaar, toen danste ze alweer door het gangpad.

10 Reacties

“…maar een flinke lus asblonde, droge haren steken de wereld in. (…) Het ziet er walgelijk uit, maar tegelijkertijd ook intrigerend. (…) In dat geval zou die persoon beschaamd om zich heen gekeken hebben…”

Een interessante blik in de psyche van de schrijver… ;-)

Geplaatst op 14 juli 2009 om 18:27

Ha Dae, dat is grappig. Ik zette dit log onder alledag én onder fictie: de lok, de jongeman, het meisje waren er allemaal weldegelijk, maar de beleving van de zij persoon is fictief. Leuk dat je die dingen er net uit weet te halen, haar walging en beschaming. :)

Geplaatst op 14 juli 2009 om 20:48
Anke

ieuw, ieuw, ieuw! :)

Geplaatst op 16 juli 2009 om 12:56
Anke

Zo vaak van plan om je blog ‘bij te houden’. Maar op een of andere manier niet gelukt.. Mijn laksigheid ofzo.. :)

Maar daar komt nu verandering in! Je staat in mijn lijstje van blogs die ik regelmatig bekijk! Dikke knuffel, Anke

Geplaatst op 16 juli 2009 om 14:15

Wat is de ‘mooie’ naam voor een haar-o-foob eigenlijk?

Geplaatst op 16 juli 2009 om 16:04

Gek hè, haar op een hoofd kan zo aantrekkelijk zijn.

Geplaatst op 18 juli 2009 om 10:41

Wow en ik dacht dat er een massamoordenaar in de trein was geweest die één van zijn lijken in stukjes en beetjes aan het onderverdelen was over diverse plekken, steden, misschien zelfs landen uitsmerend. Dat het misschien gewoon nog een een heel hoofd vastzat!
En dan ergens anders een hand of een voet. Paar vingers, je weet het niet.

Geplaatst op 19 juli 2009 om 23:42

Hu..

Geplaatst op 24 juli 2009 om 11:29

Wenz! Wat doe je me aan, ik wil natuurlijk graag weten hoe die lok daar is gekomen en of er inderdaad nog een hoofd aan zat! Bah, haar van een ander in deze hoedanigheid is idd helemaal niet fijn! Ondertussen blijf ik de rest van de dag denken hoe dit allemaal zo is gekomen, oke? bedankt dus maar weer… ;-)

Geplaatst op 27 juli 2009 om 08:42

:)

Geplaatst op 28 juli 2009 om 10:58