*Tante Mia

Ze was zelfingenomen. Ze overheerste haar man. Ze wist het altijd beter. Ze had overal een mening over, en die mening was uiteraard de enige juiste. Ze pochte over haar sociale geliefdheid. Ze wilde graag een klasse hoger leven dan de rest. Haar regels moesten altijd gevolgd worden. Ze dacht dat ze mensen kon kopen. Ze dacht dat ze mensen moest kopen.

En tegelijkertijd was ze een warmbloedige vrouw, met het hart op de juiste plek. Ze zorgde graag en goed. Ze hield werkelijk van de mensen om haar heen. Ze wilde ze graag een – in haar ogen – ideaal leven bieden. Ze kon mooi zingen, in de ochtenden, of terwijl ze ons in bad deed, of tijdens het aardappelen schillen. Ze kon oneindig goed koken en bakken. Rabarbertaart, ik ben er nog steeds gek op. Reerug, fazant, bij haar heb ik dingen gegeten die ik daarvoor zelfs nog nooit gezien had.

Mijn herinneringen aan haar zijn zo dubbel. Ze is de zus van mijn oma, mijn oudtante dus. Toch was ze altijd gewoon tante. En hij gewoon oom. Beiden wit haar zolang als ik ze ken. Onze vakantieweken bij hen. De trein- en taxiritten door de hele Benelux. Zijn passie voor opera, wij op kussens op de vloer voor de televisie, die vreemde wereld ingezogen. Onze bezoeken aan de schouwburg, in onze netste kleren. Haar naaikamer. Wanneer ze achter haar naaimachine zat, kon ik uren verdwalen in de spullen die daar lagen, haar helpen wanneer het maar mocht. De grote Barokke spiegel in de gang. Zij hadden katoenen tafellopers, weckpotten, een braadslede, een rechaud, springvormen, een secretaire, een composthoop: allemaal dingen die bij ons thuis niet te vinden waren. De avonden dat ze ons in de woonkamer zelfverdediging aanleerde. De zonnige dagen in de tuin, onder de luifel. Iedere ochtend haalde mijn oom verse aardbeien, ik at er zeker een kilo per dag van. Samen wafels bakken. Tegen haar aankruipen op de bank tijdens een enorme onweersstorm. De verhalen over mijn moeder en haar broers en zussen, die ze ook had zien opgroeien.  Zijn avonturen in de mijnen, vroeger. Hoe hij voor 11 gulden per week werkte in de schachten. Hun veel te riante geldbedragen voor verjaardagen en andere feestdagen.

En tegelijkertijd voel ik nog hoe boos ik was wanneer ze in mijn ogen belachelijk deed. We hielpen hen in het huishouden, maar alles moest op hun manier. De stofzuiger moest opgetild worden en niet voortgetrokken. Dan zuigen tot aan dat ene richeltje op het Perzisch tapijt, en geen millimeter verder. Eerst in die hoek, haal het niet in je hoofd om aan de andere kant te beginnen. Als het mijn broer of mij echt teveel werd, renden we de tuin in, om daar aan de buizen van de wasdraadpalen te gaan hangen en zwieren tot onze kinderlijven weer rustig waren. Ik had altijd blaren op mijn handpalmen van die ijzeren buizen, net onder de aanzet van je vingers. Hij kwam uit Wallonië, zij uit Limburg. Hij sprak gebrekkig Nederlands, zij vloeiend Frans. Wanneer ze grote-mensen-zaken moesten bespreken of onderling onenigheid uitvochten, schakelden ze altijd over op Frans. Wij konden altijd de strekking wel raden, kregen wat woorden mee, maar voelden ons toch buitengesloten. Hij had zijn eigen taaltje gemaakt in de loop der jaren, een mengelmoes tussen Frans, Nederlands, Limburgs dialect en wie weet wat nog meer. Hoe zij hem keer op keer bleef corrigeren wanneer hij weer zo’n zelfverzonnen woord zei. ‘Het is snee, Pierre, een snee brood. Geen schnei.’ Hoe hij dan wat gromde en het toch weer fout zei. Zijn vorm van rebellie. De enige. Haar opmerkingen over ons leven, wat we allemaal fout deden in haar ogen. Ik heb een keer mijn beste vriendinnetje meegenomen, maar die kon haar goedkeuring niet wegdragen. Ze werd zelfs zo zenuwachtig, dat ze haar stuk taart niet meer zonder morsen kon eten, wat mijn tantes mening uiteraard alleen maar versterkte. Hoe zij steeds het woord overnam van mijn oom, hem geen enkel verhaal liet vertellen, de aandacht naar haarzelf toetrok, keer op keer.

En toen kwam de dag dat ze ons toevertrouwde dat de buren hen weg probeerden te pesten. Opeens werden persoonlijke zaken niet meer in de keuken besproken, ‘want de buren hadden een gat in de muur gemaakt om hen af te luisteren’. Uiteindelijk lieten ze hun thuis achter, hun afbetaalde riante hoekhuis vol herinneringen, en gingen in een luxe flat wonen. Onze bezoekjes werden toen al minder. Wij puberden er op los, konden hun oude-mensen-leven daar moeilijk bij hebben. Hun nieuwe huis kon haar angsten niet intomen, ditmaal was ze ervan overtuigd dat de bovenbuurman haar probeerde te vergiftigen via het luchtkanaal in het toilet. Op een dag stond er een enorm luchtzuiveringsapparaat in de woonkamer, vol draaiknoppen en lampjes. Ze hadden hun eigen logica verzonnen: als het lampje groen was, was de lucht zuiver. Sprong het op oranje, dan was de buurman weer bezig, en zetten ze snel alle ramen en deuren open tot het lampje weer groen blonk. Ik vond het moeilijk, wist niet zo goed wat ik moest doen: ontkennen of meespelen. Wat zou meer kwaad doen? Het waren haar angsten, maar hij had ze overgenomen, zoals haar mening altijd de zijne werd uiteindelijk. Je ziet het vaker bij bejaarden, absurde angsten. Vaak is het gericht op de verwarming, omdat dat ding nu eenmaal tikt en sist en bonkt zonder dat je er iets aan kunt doen. Maar bij haar was het op andere mensen gericht, die haar kwaad wilden doen.

Mijn broer en ik kwamen steeds minder, onze levens lagen steeds verder uit elkaar. Dan belde zij op, dat ze nog wat keukenspulletjes had, en of ik die misschien wilde hebben. Of dat ze een nieuwe videorecorder hadden, en of wij die voor hen konden instellen. Ik belde mijn broer op en haalde hem over weer eens langs te gaan samen. Achteraf begrijp ik dat ze ons gewoon misten, eigenlijk heel eenzaam waren. Zelf nooit kinderen gehad. Weinig tot geen bezoek over de vloer. Hun leven was heel klein. Toch voel ik nu vooral hoe goed ze het bedoelden. Het doet me pijn dat ze dachten sloten met geld ertegenaan te moeten gooien om mensen in hun buurt te houden. Al kon ik het altijd goed gebruiken, toch voelde het niet normaal. Ik mocht ze gewoon voor wie ze waren, de dagen bij hen thuis doorgebracht zijn me veel meer bijgebleven dan onze uitstappen met hen. Haar appeltaart was me meer waard dan hun enveloppen. Maar ze wisten niet beter, vrees ik. Hoe moeilijk het geweest moet zijn voor ze, om te merken dat we uiteindelijk toch niet meer kwamen, ondanks hun pogingen. Mijn oom is nog een paar keer langs geweest in de kledingwinkel waar ik toentertijd bedrijfsleider was, altijd met een of ander excuus, maar eigenlijk gewoon om me te zien, te vragen of ik langs kwam. Ik ging nog af en toe. Mijn sigaret moest ik op het balkon roken, geen probleem. Mijn oom kwam bij me staan, we genoten van het uitzicht, praatten samen, zonder dat zij ertussen kwam. Ik had een cd van Laïs gekocht. Daar stonden we, veertien hoog, het boekje in onze handen, hij helemaal in zijn element dat hij de Franstalige teksten voor mij kon vertalen. Zijn gniffel toen een zin ondeugend was.

In februari liep mijn tante nog aan mijn ooms arm door de stad. Gisteravond belde ik mijn moeder. Ze was mijn oom tegengekomen. Hij sprak voor het eerst uit dat het niet goed met mijn tante ging. Hij ontweek het woord, maar mijn moeder snapte het al snel. Hij vroeg of ze nog even mee naar binnen wilde gaan. Dat deed mijn moeder. Hij waarschuwde wel dat hij nooit wist hoe hij haar aantrof. Hij heeft haar sleutels moeten afnemen, moet haar opsluiten in huis. Wat mijn moeder aantrof was een verwilderde, verwarde vrouw. Ze was altijd tot in de puntjes verzorgd, maar daar is nu niets meer van terug te vinden. Haar kleding een samenraapsel, haar haren veel te lang en in pieken rond haar ingevallen hoofd. Haar blik op oneindig. Ze weet niet meer wat ze doet. Mijn moeder vertelt dat mijn oom nog snel een taart ging kopen, iets dat mijn hart een beetje breekt. Zij, die altijd zo trots waren op hun eigen gebakken taarten. En ook: hij die zo blij is bezoek te hebben, daar hoort een taart bij – hoe erbarmelijk de omstandigheden ook zijn. Mijn tante staat in de keuken, weet niet meer hoe een waterkoker werkt. Staart naar de vers gekochte taart, weet dat er iets mee moet gebeuren, maar moet mijn oom roepen om erachter te komen wat precies. ‘s Nachts dwaalt ze soms door het huis, trekt haar kleren uit of aan, mompelt wat. Hij heeft al met de huisarts gepraat, maar wil haar zo lang mogelijk bij hem in huis houden. Nu staat hij er opeens alleen voor. Zij deed overal het woord, omdat de meeste mensen hem niet begrijpen. Ik verstond hem altijd, omdat ik hem kende. Maar een of andere telefoniste kan er weinig logica in ontdekken vrees ik. En hij, die zo vergroeid is met haar, op het symbiotische af. Haar op handen droeg. Hoe moeilijk moet het zijn om de aftakeling te moeten aanschouwen. Machteloosheid. Verdriet.

En hier zit ik. Een jaar geleden heb ik een paar dagen getwijfeld of ik ze een brief zou schrijven, om mijn avonturen in België met ze te delen. Zijn land, per slot van rekening. Maar ik durfde niet. Wist niet of ze erop zaten te wachten. Nu sla ik mezelf voor mijn hoofd, had ik het maar gedaan. Had ik ze maar laten weten dat ik nog geregeld aan ze denk, dat ik dankbaar ben voor wat ze me hebben gegeven al die jaren. Welkom zijn is onbetaalbaar. Ik ben niet vergeten hoe onmogelijk ze soms waren, hoe mijn tante kon drammen over zaken waar we anders over dachten. Maar dat neemt niet weg dat ik van ze houd. Gisternacht in bed kon ik de slaap niet vatten. Onze gezamenlijke herinneringen dwarrelden door mijn hoofd. Flarden leven. En hoe zal het nu gaan? Sta ik uiteindelijk op haar begrafenis, me een trut te voelen dat ik me zo van ze heb afgekeerd de laatste jaren? Enerzijds wil ik mijn oom nu een hart onder de riem steken. Maar tegelijkertijd voelt dat als mosterd na de maaltijd: haar kan ik al niet meer bereiken. En nu opeens opduiken, nu het slecht gaat, ook niet echt vrijblijvend en oprecht. Hij heeft zijn handen nu vol aan zorgen voor mijn tante, aan accepteren dat ze in drie maanden keihard achteruit is gegaan, en dat voorspelt waarschijnlijk weinig goeds. Mijn moeder en mijn oma, haar zus dus, hebben afgesproken regelmatig langs te gaan. De zussen hebben ook niet altijd op goede voet met elkaar gestaan, maar dat doet er nu opeens niet meer zoveel toe. Een deel van mij wil mee gaan, mee er voor hen zijn. Een ander deel is rationeler: we hebben al jaren geen contact meer, zo werkt dat niet. En ik woon in een ander land, niet echt om de hoek. Een brief schrijven heeft ook weinig zin, zij was degene die kaarten altijd vertaalde en geschreven zinnen uitlegde.Ik houd het dus voorlopig maar op overgebrachte groeten en sterkte, op meeleven van een verre afstand. Maar het zit me niet lekker. Had ik maar, had ik maar, had ik maar.

22 Reacties

Pardon?!

Lieve Wenz,

nooit eerder gereageerd, maar ik stiekem neusde ik al vaker eventjes rond op jouw prachtige site!
hoe mijn dag van het ene op het andere moment zó aangrijpbaar veranderd.. bizar gewoon. drie tranen gelaten op het moment dat ik de laatste zin las.
ik hoop dat er nog een heleboel van die prachtige stukjes van jou mogen verschijnen!

xxx.

Geplaatst op 11 mei 2009 om 18:07

Wat een verdrietig verhaal toch weer, zoals wel vaker als mensen oud worden.
Nou ja, verdrietig, je vertelt ook hoe het ooit was. Maar dat het nou toch weer zo moet gaan op het laatst…

Geplaatst op 11 mei 2009 om 19:21
pjotr

Beste Wenz,
Gewoon binnenkort een keer naar toe gaan. Dat is misschien wel moeilijk, maar je oom zal het zeker fijn vinden en misschien herkent je tante je toch nog wel. Juist bij dit soort dementie zijn de herinneringen aan vroeger vaak nog aanwezig. En voor jezelf: Als ze er niet meer zijn weet je, dat je ze toch een groot plezier hebt gedaan.

Geplaatst op 11 mei 2009 om 22:29

Ik heb gezien hoe mijn opa en oma aftakelde toen ze dement werden. Dat was geen pretje.

Geplaatst op 11 mei 2009 om 22:32

bij twijfel… gaan..!
het is altijd beter om iemand tijdens zijn leven te bezoeken, dan op de begrafenis.
nu is het nog een keuze, straks slechts een voldongen feit.

Geplaatst op 12 mei 2009 om 00:21

Ik woon dichterbij ..en dan nog schijnt mijn leven ‘te druk’. Toch, zusje, denk ik dat we eens zouden moeten gaan, om een klein genot uit vervlogen tijden te bezorgen aan onze waalse wafelbakkende vrind.

Geplaatst op 12 mei 2009 om 06:07

Je kunt nog steeds….straks echt niet meer…

Geplaatst op 12 mei 2009 om 07:46
vlaamse gaai

Mooie plek geven in jezelf! Zo is “liefde” in haar geven en nemen…
Altijd drijvende op twee tegenpolen tot ze dat tikkeltje “balans” ergens vindt!
En eigenlijk feitelijk leert “leven” zelf alles…

Geplaatst op 12 mei 2009 om 11:49

Ach Wenz, een mooi stuk, met mooie herinneringen, maar het verhaal is nog niet uit…
Ga, met je broer samen, of alleen. Met je moeder of zonder, maar ga. Wie zegt, dat je haar niet meer bereiken kunt? Ze zal anders reageren, maar dat wil niet zeggen dat je bezoek niet meer uitmaakt.

Geplaatst op 12 mei 2009 om 12:50

Oef, wat mooi. Wat tragisch. Het doet me voor een groot deel denken aan mijn eigen Friese Pake en Beppe. Ingewikkeld hoor, familie. Tegenstrijdige gevoelens. Ik zou zeggen: ga. Ookal kun je alleen maar naast haar zitten. Het zal veel betekenen. Voor hun en voor jou.

Geplaatst op 12 mei 2009 om 13:44

Hee Rianne, wat fijn dat je reageert. Ja, zo’n veranderingen komen hard aan he. Verre van makkelijk.

Maz, Theo, tegenstrijdige gevoelens, iemand zien aftakelen, ja, het is geen makkelijke materie he?

Dank jullie wel voor jullie lieve en meelevende en herkenbare woorden. Jullie hebben allemaal gelijk: gewoon bezoeken.

Broer, misschien moeten we dan maar snel de koe bij de horens vatten.

Geplaatst op 12 mei 2009 om 16:28

@Wenz, dat is het zeker niet. Op den duur hoopte ik zelfs dat ze uit hen lijden werden verlost. Dat vond ik zo tegenstrijdig, want je wilt ze eigenlijk zo lang mogelijk bij je houden.

Geplaatst op 12 mei 2009 om 17:48

Ik denk dat het goed zou zijn om te gaan, maar ik ben maar een stuurman die aan de wal staat.

Geplaatst op 12 mei 2009 om 18:26

Je gevoel van ‘had ik maar’ gaat nog erger worden als je nu niks doet. Ik zou er trachten te zijn voor die mensen nu. En vroeger, dat is voorbij. Sterkte!

Geplaatst op 12 mei 2009 om 22:03

Lieve Wenz.
Niet zeggen van “had ik maar” maar gaan meid.
Ik weet zeker dat je oom heel dankbaar is als je bij hem voor de deur staat.
Als hij straks gestorven is, komt er weer een nieuwe had ik maar bij.
Laat het niet zover komen.

Geplaatst op 14 mei 2009 om 08:34
Annelieke

Hai Wendy
Ik las je verhaal en dacht ik reageer.. Al enkele jaren werk ik op een dementerende afdeling.. de “fout” die de omgeving maakt is er niet langs te gaan want diegene kent me toch niet.. En weet je vaak weten ze meer dan je denkt.. Ga er langs en geniet ervan.. Bak een taart of iets dergelijks en steun je oom:)..
Succes X

Geplaatst op 14 mei 2009 om 19:54

Ach, hoe verdrietig toch. Zelf ook een lieve oudtante gehad die al is overleden na jaren dementie. Moeilijk hoor maar ik ben het eens met de rest, je hebt zoveel fijne momenten met ze gedeeld, gewoon lekker langs gaan! Sterkte!

Geplaatst op 15 mei 2009 om 21:00

Je hebt al besloten met je broer te gaan zag ik. Denk dat dat een goede zet is. Want als je nu al denkt ‘had ik maar’, dan zal dat waarschijnlijk heviger zijn als het straks niet meer kan. En je oom en tante maar zeker je oom zal het nodig hebben, wat steun en wat familie.

Succes meid, het is niet makkelijk.

Geplaatst op 16 mei 2009 om 02:43

Dag Wenz-even mijn eigen reactie voor ik al de andere lees…mooi en vol liefde geschreven, ik hoop dat je oom dit ook leest of dat iemand het in het Frans vertaalt voor hem. En ook: waar wacht je op?! ‘Welkom zijn is onbetaalbaar’ schrijf je, ik ben zeker dat jij daar nog even welkom bent. Laat dit ook geen ‘had ik maar’ worden…

Veel sterkte!

Geplaatst op 16 mei 2009 om 11:08

‘Had ik maar?’ Dat kan ik me voorstellen, dat je dat denkt. En wat denk je daarnaast dan van: ‘Ik kan nog?’ Al geef je maar een glimlach of een kort bezoekje, het is vast heel erg welkom. Dat geldt toch voor iedere mens in alle omstandigheden?
Je MOET niks, maar je hebt wel veel te geven.
Prachtig stuk, Wenz.
Succes.

Geplaatst op 16 mei 2009 om 15:52

Ik zeg niets nieuws, maar sluit me aan bij mijn voorgangers: gewoon gaan. Niet om naar vroeger te kijken, maar om nú te laten zien: ik houd nog steeds van jullie en wil er voor jullie zijn. Je liefde spreekt uit elk (ook elk twijfelend) woord van bovenstaand stuk.

Geplaatst op 26 mei 2009 om 20:54

Lastige en gevoelige kwestie. Misschien gewoon een simpele kaart? Een foto uit vroeger tijden met een eenvoudige groet?

Geplaatst op 30 mei 2009 om 16:37