*Bestaansrecht

Een ietwat gezette man met een koffertje en paraplu. Hij stapt de bus in voor mij, en ik struikel de eerste trede op, bijna tegen zijn brede rug aan. Een enkele hand raakt zijn schouder, ik excuseer en hij glimlacht.

Een kinderwagen, daarachter een jonge moeder. Ze heeft een paarse joggingbroek aan tot net over de knie. Ik sla de hoek om en snijd haar net de pas af. Mijn hand rust op mijn tas, ik strijk met de rug van mijn hand langs haar heup. ‘Pardon’, maar ze reageert niet eens.

Ze is snel, de boodschappen vliegen langs de scanner. Wanneer ze het totaal noemt, reik ik haar vijftig euro op mijn gestrekte hand. Wanneer ze het aanpakt, raken mijn vingertoppen heel even de hare. Ik pak mijn boodschappen en kan met een gerust hart naar huis.

Hij heeft duidelijk haast, wringt zich een weg door de meute. Hij is lang, sportief. Nog twee meter, dan kruisen we elkaar. Ik schuif iets op, zodat ik in zijn weg loop. Wanneer hij passeert botsen onze schouders tegen elkaar.

In de rij voor het loket kijk ik om me heen. Achter me een gezin, die zullen wel naar de nieuwste kaskraker gaan. Voor mij een jonge vrouw, die lijkt me meer het type voor de cultuurfilm. Ik zet een stap naar voren, wacht totdat ik geschuifel hoor, zet dan diezelfde stap weer terug. Mijn hak raakt de tenen van de vader. Ik draai mijn bovenlijf naar achteren: ‘Oei, excuses.’ Hij heft zijn hand tot een verontschuldigend gebaar, gaat weer iets terug staan, naast zijn vrouw en kinderen.Glimlachend kijk ik weer voor me.

Ik doe alsof ik een bepaalde titel zoek, maar wacht eigenlijk gewoon tot ze langslopen. Mijn vinger strijkt langs de ruggen van de boeken, over de stickers die de bibliotheek erop geplakt heeft. Het zijn twee jongetjes, zie ik. De ene rent, de ander waggelt erachteraan. Wanneer de kleinste langsloopt, aai ik hem even over zijn haren. Hij kijkt op, versnelt dan zijn pas om zijn broertje bij te houden.

Wanneer ik de deur open, bots ik tegen een passant op. Een wat oudere man, grijzend en in gedachten. Mijn elleboog raakt zijn arm, door de kracht draai ik een kwartslag. Verschrikt roept hij sorry, hij was niet aan het opletten. ‘Geen probleem’, zeg ik hem. Ik glimlach, pak mijn sleutel uit mijn tas en kan meteen weer naar binnen. Een nieuw record.

‘Hoe gaat het nu met je?’ Ik haal mijn schouders op. ‘Wel goed, denk ik. Weinig nieuws. Mijn pillen zijn bijna op, dus straks een recept meegeven graag.’ Hij schrijft iets in zijn map. Ik overweeg zelf het woord te nemen, om hem geen kans te geven de richting van het gesprek te bepalen, maar ik ben al te laat. ‘En de neurose? Nog vorderingen?’ Ik slik. ‘Gaat prima hoor, bijna geen last van.’  probeer ik nonchalant. ‘Doe je het nog iedere dag? Of lukt het al om het soms te laten?’ vraagt hij door. ‘Ja hoor, afgelopen week volgens mij niet eens bij stil gestaan…’ lieg ik. Hij kijkt me doordringend aan. ‘Volgens mij zag ik je buiten zojuist een dame op leeftijd aanklampen?’ In een flits zie ik weer hoe ik haar onderarm zacht greep, zogenaamd om haar vraag waar de supermarkt lag beter te horen. ‘Oh nee, dat is mijn buurvrouw, die ken ik hoor.’ Ik voel dat mijn wangen warm worden. ‘Goed, kun je volgende week een dagboek bijhouden? Om te zien wanneer je eraan denkt, en wanneer je eraan toegeeft?’ Ik knik.

‘Ik wil vooral zien wanneer de rusteloosheid op begint te komen, en hoe je daar dan mee omgaat. Wat doe je om het te onderdrukken? Ik bedoel wanneer je er niet aan toegeeft natuurlijk.’ Ik denk aan hoe ik er iedere ochtend mee opsta. Hoe de drang groeit naarmate de uren vorderen. Hoe ik dan excuses ga verzinnen voor mezelf. Dat ik nog prei moet kopen. Dat ik zin in een hamburger heb. Dat ik die sokken nog moet ruilen. Alles is goed, zolang ik maar de straat op mag. Ik haal mijn schouders op. ‘Ik uh, ik doe het dan gewoon niet. Denk er gewoon niet aan, of zoiets.’ Ik zie aan zijn blik dat hij me niet gelooft. Ik weet ook wel dat het een beetje raar is. Dat het een soort obsessie is. Maar toch kan ik het niet laten. ‘Zullen we afspreken dat je de komende week probeert om er om de andere dag niet aan toe te geven? En alles wat er door je heen gaat opschrijven, niet vergeten.’ Ik knik maar weer, zie er nu al tegenop. Ik wil met mijn vuist op tafel slaan. Ik wil schreeuwen dat het toch niet zo’n ramp is, dat niemand er echt last van heeft. Alsof hij mijn gedachten kan lezen vervolgt hij zijn woorden. ‘Je minimaliseert het waarschijnlijk in je hoofd, maar jij weet diep vanbinnen net zo goed als ik dat je niet je leven lang iedere dag een vreemde kan aanraken. Niet voor die mensen, die merken er waarschijnlijk weinig van, maar voor jezelf. Jij moet je ervan los maken. Het heeft jou onder controle nu, en dat moet andersom. Begrijp je wat ik zeg?’ Voor de zoveelste keer knik ik. Ik kan een zucht niet onderdrukken.

(Dit logje kwam opborrelen nadat ik een artikel las over iemand die de neurotische drang had om iedere dag een wildvreemde aan te moeten raken.)

11 Reacties

Truth is stranger than fiction, verwijzend naar je inspiratiebron. Zou het niet mooi zijn als iedereen deze neurose had? Aanraken is contact en uit contact komt dikwijls begrip voort. Ik probeer de laatste jaren wat vaker bekenden aan te raken: een hand op bv. de schouder of de arm, om daarmee het contact te verdiepen en mijn afstandelijke houding wat te verkleinen. Dat voelt prima en het werkt.

Geplaatst op 25 april 2009 om 13:54

Erop uit zijn is wel afwijkend ja. Maar, in aansluiting op Jaco: is het werkelijk zo heel anders dan een praatje aanknopen?

Een vriendinnetje van mij die toevallig een verstandelijke beperking heeft, doet het vol overgave en niemand die het haar euvel duidt. Integendeel. Het verschil is alleen, dat zij niet doet alsof het per ongeluk ging. Dat is voor haar ten eerste moeilijker, maar vooral: ze heeft doen-alsof niet nodig, want zij kan met haar werkelijkheid omgaan en daarom is het bij mijn vriendin geen neurose.

Geplaatst op 25 april 2009 om 16:35

Iemand met zo’n neurose doet er verstandig aan om in New York ofzo te gaan wonen, of Tokyo. Of niet natuurlijk…

Geplaatst op 26 april 2009 om 09:22

Mooi geschreven, knap dat je je zo in zo’n neurose kunt verplaatsen.

Geplaatst op 26 april 2009 om 10:47

Iedereen zou met die opdracht naar buiten moeten gaan. Niks neurose. Er gaat wel eens een dag voorbij zonder dat ik iets hardop zeg, laat staan dat ik iemand aanraak. Contact is zo essentieel, maar het lijkt wel alsof men het tegenwoordig juist vermijdt. En dan verandert het in een neurose, abnormaal gedrag. Zonde.

Geplaatst op 26 april 2009 om 12:41

Mooi stukje penmanship! En idd knap dat je je er zo in kan verplaatsen zeg.

Geplaatst op 27 april 2009 om 05:54

Blegh, dat gefrut binnen mijn bodybufferzone, mot ik nix van hebben.

Geplaatst op 27 april 2009 om 15:01

Ik dacht eerst dat het richting verspreiding van de varkensgriep zou gaan of iets vergelijkbaars ;) Maar een neurose. Ik heb het eerder andersom geloof ik, raak liever mensen niet zoveel aan, zeker geen vreemden.

Geplaatst op 29 april 2009 om 06:30

zo gaat dat. eigenlijk zou ze wel moeten schreeuwen tegen die psych.
zou haar goed doen.

Geplaatst op 29 april 2009 om 09:05

Sokken ruilen… Ik zal de mensen die in sokkenbakken van kledingwinkels staan te graaien, nooit meer met dezelfde ogen bekijken. Ze hebben helemaal geen sokken nodig. Ze kopen een excuus. Een en al neuroses, die mensen.

Geplaatst op 29 april 2009 om 18:17

Coole band ook, neurosis.

Geplaatst op 30 april 2009 om 00:05