*Probaat

Op haar knieën, in de schemering van deze winteravond, kneep ze haar ogen tot spleetjes en keek naar hem op. Ze vouwde haar handen samen, haar vingers ineen gestrengeld alsof ze elkander nooit meer los zouden laten. Rechts van haar scheen het laatste licht van vandaag door de hoge ramen naar binnen, lange schaduwen achterlatend op de kille vloer onder haar knieën. Links van haar kweten de kaarsen zich devoot van hun taak. Ze ademde diep in alvorens ze haar litanie begon. “Ik weet dat ik gezondigd heb. Vergeef mij, alsjeblieft. Laat mij niet lijden, dat heb ik niet verdiend. De oude wonden van mijn vorige misstap zijn nog voelbaar. Ik heb een fout gemaakt, alweer, daar ben ik me bewust van. Geloof me. Maar het was niet mijn bedoeling om te kwetsen.” Ze opende haar ogen en keek schuldbewust naar hem op. Hij vergeeft iedereen uiteindelijk, dat wist ze wel. Maar bij haar leek het vaak heel wat meer voeten in de aarde te hebben. “Wees mild voor mij…”

Ze bekeek hem ingespannen, zijn getergde gelaat, zijn donkere haren, zijn armen gespreid in de lucht. Zijn gebogen nek, neerkijkend op haar en toch zo statig. Zijn bebloede handen. Zijn voeten, die ze liefst zou kussen als ze wist dat dit haar verlichting zou brengen. Hij leek zijn hoofd langzaam heen en weer te bewegen. Hij schudde nee. Ze moest beter haar best doen, hem overtuigen van haar waarde. “Ik heb zoveel goeds gedaan. Ik heb me helemaal gegeven, geen moment getwijfeld, geen vezel in mijn lijf die kwaad wilde doen. Maar ik ben niet perfect, ik ben ook maar een mens. De goedheid is in ieders hart te vinden…” Dit laatste sloeg meer op hem dan op haar: ze hoopte dat hij haar zou sparen. Ze geloofde in hem, en zou dit altijd blijven doen, maar soms was het zo moeilijk, zo zwaar. Het pad dat voor haar gekozen was, ging amper over rozen. Maar ze zou niet klagen, niet vluchten, niet laten afweten. Ze kon dit. Met zijn liefde kon ze alles aan, zelfs de doornenkroon, wanneer dat nodig was.

Ze voelde de spanning stijgen, haar hart bonsde luid achter haar frêle borsten, haar adem raspte in haar droge keel. Zijn blik doorboorde haar, ijskoud. Ze voelde tranen opkomen. “Vergeef me, het zal nooit meer gebeuren!” Het kwam er benepen uit. Ze moest sterk zijn. Vanuit haar ooghoeken kon ze net de bank zien, het beukenhout, onvermurwbaar. Ze overwoog erachter te kruipen, wist meteen dat ze niet kon wegrennen van haar zonden: lafaards worden zwaarder gestraft. Ze keek naar de tafel waarop de kaarsen brandden. Ze had ze zelf aangestoken toen ze binnenkwam. Dat leek alweer een eeuwigheid geleden. Ze durfde hem nog amper te bekijken, zette zich schrap voor zijn toorn. Zijn woede kon uren aanhouden. Lange, lange uren, waarin ze zich steeds weer heilig voornam nooit meer een fout te maken. Haar knieën deden pijn, maar dit zeurend gevoel was een prettige afleiding van de vlammende pijn die haar binnenste leek te verscheuren. ‘Ik moet blijven geloven. In de goedheid. De warmte. De liefde.’ Ze beet op haar onderlip terwijl ze haar gevouwen handen nog dichter tegen haar lichaam drukte.

Zijn gespreide armen trilden. Zijn blik onverstoord, hij sprak geen woord. Met één kaarsrechte beweging zwaaide zijn rechterhand op haar af. De klap weerklonk door het hele vertrek. Er knapte iets achter haar oog. Een warm gevoel kroop over haar wang. Hij hief zijn handen weer, stond wijdbeens voor haar. Zijn nagels diep in zijn handpalm, zijn knokkels donkerrood van haar bloed. Zijn bovenlijf helde iets naar voren toen hij alle kracht in zijn volgende stoot legde. Zijn ademhaling klonk zwaar terwijl haar adem in haar keel stokte, haar maag kromp ineen. “Het spijt me, het spijt me zo. Het zal nooit meer gebeuren.” Schuld vulde haar keel. “Het was stom van mij…” Ze putte kracht uit haar gedachten. ‘Dit is echt de laatste keer, hierna zal ik geen fouten meer maken, en zal hij mij eindelijk voor vol kunnen aanzien.’ Voor ze kon opkijken snoerde zijn vuist haar de mond. Ze zou nooit aan het gevoel van tanden op haar tong wennen. ‘Morgenvroeg zal alles vergeven zijn. Gewoon nog even volhouden. Nog even. Het is mijn eigen schuld, ik had beter moeten weten.’ Haar hoofd raakte met een klap de vloer, miste de bank op een haar na. Zijn voet leek zich in haar longen te boren, in haar onderbuik, in haar bovenbeen. Vanuit haar ooghoeken zag ze hoe de rode spatten zich in het hout en de bekleding zogen, ze krulde haar lichaam rond de poot van de bank. Zijn silhouet torende hoog boven haar uit, zijn woede was nog niet bekoeld. Haar onderrug leek van haar lichaam losgescheurd te worden. ‘Morgen poetsen’ bedacht ze nog, voor ze uitgeput haar ogen sloot.

13 Reacties

Hallo, da’s heftig zo laat op de avond!! Deze moet ik even laten bezinken.

Geplaatst op 6 september 2007 om 22:15
Plien

ik zoek en ik zoek, er zit meer achter. Ik zie christus aan het kruis, ik zie boetedoening. Realiteit op het einde, waar ze letterlijk in elkaar geslagen wordt. Mysterieus verhaal Wenz, en dat voor het slapen gaan…

Geplaatst op 6 september 2007 om 23:43

Soms doet denken zeer. En lezen. Ik zie dat dit stukje in fictie staat, maar dat stelt me niet gerust..

Geplaatst op 7 september 2007 om 00:43

Ik herhaal de woorden van Martine.
“Soms doet denken werkelijk zeer”
Hoe kom je erbij dat God zo kwaadaardig is.
Hebben ze dat jou vroeger zo geleerd?
Neem maar van mij aan dat dit niet het geval is.
Wij zijn mensen en moeten fouten maken om te leren hoe het anders moet.
En God is een God van de liefde meid, hij vergeeft jou alle zonden.
Mijn zonden heeft hij ook vergeven en dat waren er heel wat.

Geplaatst op 7 september 2007 om 07:54

Martine en Mieke, even voor de duidelijkheid: dit verhaaltje is echt op geen enkele manier op mijn leven gebaseerd hoor. En Mieke, ik impliceer totaal niet dat God kwaadaardig is, haar mán is daarentegen wel kwaadaardig.

Zoals Plien al opmerkt heb ik zeker de christus en boetedoening erin verwerkt, maar meer als extra laag, soort dwaalspoor tegelijkertijd, en om aan te geven hoe idolaat de zij in dit verhaal van de hij is, en hem zo veel te ver laat gaan. Dit heeft niets te maken met dat ik een god kwaadaardig zou vinden. Mensen zijn kwaadaardig. Mensen zijn stoïcijns. Mensen zijn hulpzoekend. Mensen zijn zoekend. En hoe hard het ook is: dit gebeurt dagelijks.

Geplaatst op 7 september 2007 om 11:03

Dit tafereel zit – behalve dat het realiteit is in sommige relaties – ook in mijn hoofd en in mijn denken. Waar de twist vandaan komt, daar denk ik al 20 jaar over na, maar ik zal er wel nooit precies achterkomen.
Ik vind het wel lef dat je erover schrijft, ik doe het zelf niet graag, niet in het openbaar in ieder geval, omdat je de mensen zonder die kronkels in hun hoofd er niet mee bereikt en dus (helaas) veel onbegrip oogst.

Geplaatst op 7 september 2007 om 11:35

De tragiek is, dat de wederzijdse spijt zich almaar blijft herhalen en de ellende zich voortzet; vaak is het een raadsel waarom het zo lang duurt voordat zij zich er van losscheurt.

Geplaatst op 7 september 2007 om 13:06

Oke meid, dat had ik dus even verkeerd begrepen.
Ik kreeg al maagpijn bij de gedachten.:-))

Geplaatst op 7 september 2007 om 13:34

Heftige buiging in dit verhaal…waar ik in eerste instantie niet op berekend was. Maar wat het verhaal denk ik, nog sterker maakt.

Geplaatst op 7 september 2007 om 15:34

Zo mooi vind ik dit log. Voor mij is dit ware kunst. Het roept zoveel vragen op, zoveel emoties en dat gegoten in een vorm waar je niet omheen kan. Elke alinea heeft zijn lading en deze lading neemt alleen maar toe in de alinea die volgt en volgt. Alles roept het op. Zucht, ik heb er van genoten en mezelf weer even wakker geschud.

Geplaatst op 7 september 2007 om 21:37

“Whoever created humanity left in a major design flaw. The tendency to bend at the knee.”

Waar komt die neiging toch vandaan? Zoveel mensen leven in een hel waar ze met enige moeite of zelfs met gemak uit kunnen, maar ze blijven het proberen. Waar houdt optimisme op en begint stupiditeit? Mooi denksel, Wenz.

Geplaatst op 7 september 2007 om 23:23

Wauw, even bijkomen… heftig zeg maar erg goed en pijnlijk echt geschreven! ik ga even verder met bijkomen…

Geplaatst op 8 september 2007 om 18:51
Jonas Bananen

“Mensen zijn kwaadaardig. Mensen zijn stoïcijns. Mensen zijn hulpzoekend. Mensen zijn zoekend.”

En vooral: mensen laten angst regeren. Angst voor (iemand) falen, terwijl juist falen een essentieel onderdeel is van leren.
Helaas weten ook een boel mensen hoe ze die angst kunnen misbruiken…

Geplaatst op 10 september 2007 om 12:59