*Ingewikkeld

Heel zachtjes wordt er aan haar gepeuterd. Van verre. Het lijkt alsof ze het niet voelt, maar ze ligt niet meer comfortabel, en die onrust. Ze zucht, spant haar spieren en ontspant ze weer. Duwt met een voet tegen haar ziel, kijkt of er beweging in komt. Het plakt.

Misschien, denk ze, moet ik het opruimen. Misschien, als ik alle kamers binnenstebuiten keer, komt het bovendrijven. Stijgt het op, tot ver boven het hoofd, en zweeft het via de voordeur de wereld in. Haar wereld uit.

Iemand zegt dat het een kwestie van willen is. Het vlamt in haar. Ze wil er in knijpen, het kapot trekken en laten zien dat het pikzwart is, niet vuurrood. Iemand zegt dat het een kwestie van tijd is. Iets met stroop maar toch. Ze wil het op de tenen gooien, laten zien dat het beton is, onwrikbaar.

Ze wikkelt. Ze wikkelt en weegt. Drapeert de sjaal rond haar nek, haar schouders, nogmaals, nogmaals, nogmaals, tot het warm is, en bijna voelt als samenzijn. Ze weegt haar gedachten. Worden ze lichter, of juist zwaarder? Er sijpelt een traan door de wol. Is ze in een kringetje gelopen? Kent ze dit uitzicht niet al van jaren geleden?

En als je terug bij af bent, staat het dan niet al gebeiteld hoe het verder moet? Iemand roept dat het anders kan. Ze knikt, gaat erin mee, splijt haar zijn in twee evenwaardige delen. Ze zit en spreekt, wijsheid op haar schoot en vertrouwen in haar handen. Ondertussen stampvoet ze, gooit ze haar lijf tegen de muren, breekt wat er te breken valt. Valt in alle kuilen die ze ooit groef, spuugt de verandering in het gezicht en kruipt in een hoek. Ze droogt haar tranen op de enige manier die ze kent. Ze droogt ze niet, ze laat ze stollen. Verdikt de bodem waarop dit allemaal kon groeien.

Het voelt fantastisch. Ze snoekduikt erin, nestelt zich in de warmte van de brokstukken, klampt zich vast aan alles wat haar andere helft los probeert te laten en vice versa. Ze trekt haar zelf kopje onder. Een voet in het gezicht, een knie in de maag. Laat me. Blijf van me af.

Ze kijkt met beide blikken, van de een naar de ander en ziet tweemaal een onaf mens. Ze weet niet wie aan wie peutert, of wie niet aan wie. Ze weet alleen dat ze sterk zijn, vasthoudend, en vluchtig, ongelofelijk zwak. Dat ze elkaar aan de haren sleuren, constant, op weg naar nergens. Naar daar waar geen van beiden hoeft te bestaan, naar die smalle steeg waar ze uitgeput tegen elkaar aan vallen en in elkaars wanhoop kunnen verdwijnen.

Ze sluit haar ogen weer. Ligt stil, zo stil als haar voelen. Er is niets. Er is niets. Wat onrust misschien, alsof iemand aan haar peutert. Van verre. Ze draait zich nog eens om.

4 Reacties

Mooi. Verdrinken in je brein.

Geplaatst op 22 januari 2012 om 13:41
Gerhard

Weer een heerlijk Wenz logje! :-)

Geplaatst op 23 januari 2012 om 13:22

Nee. Dit vind ik niet slecht geschreven. Integendeel.

Geplaatst op 23 januari 2012 om 15:11

Mooi!

Geplaatst op 24 januari 2012 om 15:45