*Sociale interactie voor dummies deel II

Zo zit kluizenaar Wenz veilig in haar grot, zo rolt ze 48 uur lang van het ene sociale avontuur in het andere.

En overleeft ze dat ook nog.

Sta mij toe u in de komende logjes door mijn rollercoaster te loodsen. Handen binnenboord en riemen vast, daar gaan we!

Deel I vindt u hier.

Sky high

Op een drafje zocht ik het afspreekpunt in het centraal station, alwaar ik Ichi ging treffen. Misschien was ik wat overmoedig door de afgelopen uren, misschien was het gewoon domme pech, maar mijn angststoornis ging toch nog even zijn staart roeren. Ichi wilde, voordat de terugreis begon, graag iets met me delen waar hij heel gelukkig van werd. Zo’n aanbod sla ik niet snel af, dus ik toog in zijn kielzog naar Een Of Ander Gebouw. ‘We gaan helemaal naar boven.’ Ik keek wat bang naar het posh restaurant beneden, maar daar mocht ik snel voorbij wandelen. Met een supersnelle lift belandden we op de hoogste verdieping. De Sky Lounge.


(Foto via Gogobot.)

De helft van mijn innerlijk kwam al in opstand toen we binnen wandelden. Maar kom, dacht ik, stel je niet aan. Dus ik liep met oogkleppen op langs de bar vol strak-in-het-pak-personeel. In het uiterste hoekje van de loungebar kozen we een zitplaats. Terwijl we onze jassen afpelden kwam er al een pinguindame aangesneld. Of ze al Iets Voor Ons Kon Betekenen. Ik vroeg welke sapjes ze had, wat natuurlijk al doodeng was om te doen, dat begrijpt u meteen.

Niet? Nou kijk, ik heb zo’n raar iets. Dat ik me alleen ergens thuis voel als het ‘op mijn stand’ is, of eronder. Maar ver daarboven? Absoluut niet. Ik vond mezelf dan ook heel erg dapper. Dat ik zonder blikken of blozen het woord had genomen. De dame somde een rijtje sappen op. (Ik moest nog glimlachen om haar ‘sju derans’ dat wat uit de toon viel in al deze luxe. Zo werd ze toch gewoon mens voor mij.) Ik bestelde en met een ferm ‘Ik kom het zo brengen’ beende ze al weg. Ichi en ik wisselden een blik. ‘Uhm…’ riep hij haar voorzichtig achterna, ‘…en ik dan?’

Nadat ook hij alsnog had mogen bestellen plantte ik mijn achterwerk héél voorzichtig op de lounge-zetel. Ik rechtte mijn rug en kruiste mijn benen. Ik voelde of mijn haar nog netjes zat en trok mijn mouwen wat verder over mijn polsen. Het ging vanzelf. Ik zat daar als een verlegen schoolmeisje bij de grote enge directeur. Drie strakke pakken stonden constant de ruimte af te spieden, of ze ergens al Iets Voor Iemand Konden Betekenen. Ik probeerde te ontspannen. Keek om me heen, wierp een blik door de immense glazen wand. Het uitzicht was prachtig, zelfs in het donker. Dat was wat Ichi me wilde laten meemaken.

(Foto door Ichi gemaakt.)

Ik greep de drankkaart en bekeek de opties. Een kop thee, zes euro. Een flesje water? Zeven vijftig. Bovenaan iedere bladzijde prijkte het Hilton logo. Voor me op een oneindig dressoir stond om de vijf meter een Mac scherm, gewoon voor de sier het Hilton logo te tonen. Het pinguinpersoneel was onverminderd all over the place. Toen zonk de moed me alsnog diep in de schoenen.

Ik dronk mijn sapje, maar het werd niet beter. Ik at een van de acht koekjes in aparte schaaltjes die bij de thee van Ichi geleverd was. Het werd niet beter. Af en toe hoorde ik Ichi uit de verte iets zeggen, maar mijn angsten hadden al ver de overhand gekregen. Ik was alleen nog maar gespannen, gespannen, en angstig, te angstig, zonder enige logica of rationele gedachte. Ik gaf het op.

Ik voelde me schuldig, en ik voelde me een sukkel. En toch vroeg ik Ichi of hij het heel erg zou vinden als we zouden vertrekken. Gelukkig weet hij ook wel het een en ander van mijn angsten, en is hij daarnaast een perfect gentleman, dus twijfelde hij geen moment. Om daar te zitten terwijl ik me uiterst ongemakkelijk voelde, had ook geen zin. Geen probleem, we zouden gaan.

Nu zou ik graag zeggen dat ik opgelucht ademhaalde, maar dat was niet zo. Mijn lijf stond nog even strak van de spanning, en ik wilde alleen nog maar weg. We liepen de Sky Lounge uit richting lift. Ook toen was er nog geen opluchting te bespeuren. We namen de lift en wandelden de buitenlucht in. Ik stond nog altijd strakker dan strak. Ik stak een sigaret op en waaide bijna weg. Ook dat gaf geen enkele verlichting. Ik voelde me doodmoe en oneindig gespannen.

Rock bottom

Ichi opperde om naar de nabijgelegen bibliotheek te gaan, daar was een lunchroom bovenin alwaar we alsnog uitzicht hadden en ik even kon bijkomen. Ik raapte mezelf bij elkaar, dook diep in mijn kraag en daar gingen we. De bibliotheek in, wederom naar de lift om de bovenste verdieping te bereiken. De achterwand van de lift was leuk, dat kon ik nog net zien tussen al mijn vermoeiende angsten door. We kwamen aan op de bovenste verdieping. De deur ging open.

We stapten uit, en er liep toevallig net een bibliotheekdame bij de lift. Die – om mij volkomen onduidelijke redenen – direct op ons begon te schelden.

Echt. Ze riep wat verwensingen, gromde irritatie, reutelde haar boosheid over ons heen en beende weg. We snapten er totaal, absoluut, helemaal niets van. En het allerlaatste restje moed om mezelf overeind te houden stortte linea recta de liftkoker in. Ichi liep de lunchroom in, het was er overvol en lawaaierig. Hij speurde rond om een vrije plek te ontwaren. Ik trok hem aan zijn arm en zei, met het zwaarste lood in de schoenen, dat ik hier óók weer niet wilde zijn. Ondertussen schreeuwden mijn gedachten harder dan alle gasten in de lunchroom bij elkaar. Loser! Aansteller! Hopeloos geval! Ze overschreeuwden mijn kritische angststem die al in de Sky Lounge begonnen was met zeuren. Dat ik stom was, en hier niet hoorde, en uit de toon viel, en dat iedereen fijner gezelschap was dan ik, dat ik alleen maar faalde, en lelijk was – dat ook, en zo’n stumper, dat ik niet eens normale-mensen-dingen kon doen, dat ik… Ik zuchtte diep en vroeg me af hoe ik de avond door moest komen, de urenlange treinrit overleven, nu ik weer metersdiep in mijn stomme angsten verwikkeld was geraakt.

We verlieten óók de bibliotheek weer (voor de zekerheid maar via de roltrappen, al zou het kunnen dat we daarmee ook weer iemand voor het hoofd zouden stoten), en stonden uiteindelijk weer wat verloren op straat. Ik voelde me verdrietig, dacht terug aan hoe fijn ik me vanmiddag had gevoeld. Voelde me schuldig dat ik er zo’n zooitje van maakte. Voelde me leeg en op en bleurgh. En toch schakelde er nog iets zinnigs in mij. Dat bruine kroegje van vanmiddag. Daar voelde ik me toch helemaal op mijn gemak? Zoek! Een! Gelijksoortig! Kroegje!

Hoop in bange dagen

En dat deden we. We kwamen na wat heen en weer geloop in een rustig maar gezellig bruin kroegje. Een bar, een pooltafel, wat tafeltjes en een rookhok. En thee, voor anderhalve euro. In een glazen mok. Een toilet propvol delfts blauwe stickers met wijsheden erop. Kerstballen aan het plafond en jazz-muzikanten in beduimelde lijstjes aan de muur. Een barmeisje dat blije deuntjes draaide. En langzaam, bijna ongemerkt, sijpelde de angst, de boosheid daarover en de frustratie daarrond uit mijn lijf. Ik ontspande weer, en terwijl we voor het eerst vanavond echt begonnen bij te praten laadde mijn batterij zich ongemerkt weer op.


(Foto door Ichi gemaakt.)

De treinreis leek opeens weer haalbaar, de loungebar-ervaringen legde ik wijselijk even opzij, en mijn glimlach kwam weer terug. En hoewel ik het moeilijk vond te ‘falen’ voor Ichi’s ogen, was ik hem dankbaar voor zijn flexibiliteit en warmte, voor zijn begrip en de ruimte die hij me gaf. Ik was zelfs blij dat ik zélf overeind gebleven was. Niet mijn lief had gebeld en hem naar Amsterdam had gejaagd om me uit de paniek te plukken, maar gewoon gebleven was en in alle onbekendheid toch een plek had weten te creëren waar ik weer tot mezelf kon komen.

De treinreis dus. En uiteindelijk ook weer afscheid van Ichi nemen. Ik had het gevoel dat de avond wat kort was geweest, de échte avond, het fijne deel. Toch moest ik volgens plan absoluut in Heerlen uit zien te komen voor ik op een treurig station zou stranden. Dus dag, en tot snel weer, volgende keer een betere start. De rest van de treinreis verliep rustig, het Zuiden naderde, een warm bed en veilige omgeving lonkte.

Train ceiling

In Sittard moest ik overstappen. De paar meter in het donker door de wind deden me rillen. Mijn kachel drijft op dezelfde stroomvoorziening als mijn geest en dus angsten, en die was vanavond al flink aangesproken geweest. In de laatste trein aangekomen ritste ik dan ook mijn tas open en trok er lukraak truien en vesten uit. Ging ik me hier gewoon keihard staan aankleden? Vrijwillig opvallen waar ik dat normaal koste wat kost ontwijk? Jazeker. dat ging ik. Dadelijk een half uur in de kou lopen moest wel draaglijk zijn. En zo begon ik de kleren rond mijn lijf te hijsen.

‘Ik dacht al, wat is dat voor gefladder hier?’ Ik draaide me om en keek recht in de ogen van een guitige conducteur. Ik vond hem direct sympathiek en dus Niet Heel Eng. Hij kwam op een stoel tegenover me zitten. Ik riep dat ik zo dadelijk nog een eind moest lopen, dat ik het koud had en dus vooral heel zielig was. Hij keek me even aan en zei toen heel droog dat ik volgens hem helemaal het type niet was dat zielig gevonden wilde worden. Dat vond ik zo’n anders-dan-standaard opmerking dat er een lach opborrelde. Ik trok mijn laatste vest aan en greep naar mijn tas om mijn kaartje te tonen. ‘Daar kom ik helemaal niet voor joh. Ik vond dat gefladder gewoon intrigerend.’

En zo praatte ik het laatste half uur met Tom. Conducteur, papa én mama van drie dochters, cupcake-liefhebber en zachtaardige reus. Ik kan de keren dat ik een half uur met wildvreemde mensen small-talk heb gemaakt op één afgehakte hand tellen. Maar voor alles is blijkbaar een eerste keer. En het meest bizarre van alles: ik genoot er zelfs van.

Op mijn eindstation namen we afscheid en ademde ik de gure wind diep in. Kom maar op met die wandeling. Even de hele avond van me afzetten. De regen op mijn gezicht, de wind dwars door mijn lijf. En al lopende liet ik de hele dag nog eens passeren. Ondanks de angstaanval had ik een heerlijke tijd gehad, mezelf op allerlei manieren overtroffen en er oprecht van genoten in de buitenwereld te zijn. Van Piloot en Han tot bloembakkat, van kerstballenkroeg en Ichi tot small-talk, ik had het niet willen missen.

Ik sliep een diepe slaap. Ik had een fijne terug-in-Heerlen dag, alwaar ik me zelfs nog een houding wist te geven toen er plots bezoek voor de deur van mijn logeeradres stond. Ik vergruisde niet tot puin, ik verdronk niet in angsten. Wel ploeterde ik nog even door de modder, maar dat was vrijwillig. Een mooie foto laat je niet aan je voorbijgaan tenslotte.

Lake Melancholy

Viervoetig verdriet

‘s Avonds werd ik fijn met de auto opgehaald door mijn lief. Met meer bagage dan waarmee ik vertrokken was zoefden wij naar huis. Nu mocht ik ontspannen, instorten, koprollen, gillen: wat ik maar wilde want ik zou zo thuis zijn! We reden onze wijk binnen en praatten druk onze dagen bij. Op de weg voor ons lag een zak of zoiets, waar Lief behendig omheen stuurde. Vanuit mijn ooghoek zag ik de zak.

‘Lief! Was dat nu een beest? Shit. Ik weet het niet zeker, maar het zou kunnen. Wil je omdraaien?’ Lief gooide het stuur al om. We parkeerden de auto aan de overkant en ik sprong uit de auto. Het was wel degelijk een kat. Een enorme grijze lieverd die aangereden was. Een jongeman liep naar de kat toe terwijl ik naderde. Hij duwde met zijn voet tegen het beest. Tilde hem daarna halfslachtig op om hem van de weg te krijgen. De kat stond recht, wilde weg maar viel weer om, net naast het asfalt. Ik snelde toe, knielde naast het beestje en aaide zijn paniekerig lijf. De jongeman zei dat hij de politie gebeld had, die zouden een wagen sturen om het beest op te halen. Dat dat wel al twintig minuten geleden was.

Het arme beest had bloed langs zijn hoofd, een oog dat niet meer goed zat, en met een beetje pech flinke interne bloedingen. Langzaam stroomden meer mensen toe. Iemand had wel een auto zien stoppen hier op de hoek een half uur geleden, maar die reed ook meteen weer door. Een meisje rende naar huis om een dekentje te halen om hem warm te houden. Een vrouw ging hier en daar aanbellen om te vragen of de kat van iemand was. Al die tijd bleef ik het beest aaien. Non-stop. Zijn ademhaling werd iets rustiger, maar ik wist niet of dat nu juist goed of slecht nieuws was. We stonden er nu met zeven man. We konden de eigenaar niet vinden en er was geen spoor van een politiebusje. Lief en ik overlegden, hij zocht op zijn smartphone naar de dierenarts van wacht. We zouden hem zelf gaan brengen, dit kon niet veel langer meer duren. Een van de omstanders bracht een kattenmand waarin we hem konden vervoeren. Riep meteen dat zij de eventuele kosten wel wilden delen. Samen met een dame wist ik de enorme kat in de mand te krijgen, hij kreunde van de pijn en paniek. Het was zo sneu, maar ik wilde hem echt alleen heel graag helpen. We namen afscheid van elkaar, ‘met vereende krachten komen we er wel’ riep de jongeman nog, en dat beaamde ik volmondig, stapten in de auto en net op dat moment kwam het politiebusje dan toch aangereden. Lief stapte weer uit, overlegde. Zij zouden hem naar een dierenkliniek in de buurt brengen. Ik gaf de mand door, rukte mijn hart los van de kat en zond hem al mijn warmte achterna.

Gisteren hebben we gebeld, maar er nam niemand op. Morgenvroeg gaan we het weer proberen, dan is de dierenkliniek officieel weer geopend. Ik hoop dat ze hem nog konden oplappen. Ik hoop dat de eigenaar ondertussen gevonden is. En in het ergste geval, dat hij rustig ingeslapen is, in plaats van langs de weg te creperen.

Ondanks alle verdriet om het beestje leerde ik toch ook weer iets moois van de situatie. Waar ik normaal doodsbenauwd ben iets tegen De Vlamingen te zeggen omdat ze dan horen dat ik niet ‘one of them’ ben, kon dat me allemaal gestolen worden en heb ik heel de tijd met alle omstanders gepraat, zelfs de dingen geregeld, initiatief genomen, alles om het beest in veiligheid te krijgen. En dat vind ik, naast de hartverwarmende verbroedering van die kluit wildvreemden, dus wel heel fijn. Om te weten. Dat die Wenz daar gewoon nog zit, onder al die angsten. Dat ze daar overheen kan stappen als het nodig is. Dat niemand me het land uit schopte, niemand me uitlachte, niemand een brandstapel bouwde om mij op te smijten, niemand ook maar iets van mij vond terwijl we met de kat bezig waren. Wat perspectief doet wonderen.

En zo eindigde mijn achtenveertig uur durende rollercoaster van indrukken, uitdagingen en emoties. En morgen? Morgen ga ik lekker binnen zitten. Cocoonen, mijn eigen twee poezekes suf aaien, en nagenieten van alle avonturen.

9 Reacties

gewebkijk

pfhoeeej… :)

Geplaatst op 8 januari 2012 om 20:41

Die conducteur kennen wij ook! Zag ons in Eindhoven een keer overstappen op ‘zijn’ trein en knoopte een gesprek aan over rockabilly stijl en evenementen waar hij fervent fan van is en Chantell wel in dat straatje vond passen. Haha.

Geplaatst op 8 januari 2012 om 21:55

Jeej Wenz, dat was heftig. Een heel ontroerend verslag van een stukje uit jouw leven. Een heel fijne cocoondag gewenst om lekker bij te komen en na te genieten.

Geplaatst op 8 januari 2012 om 22:46

Geweldig Ape! Hij is echt aardig hè, en lekker alternatief. :) Rockabilly-conducteur Tom wordt nog een beroemdheid. ;)

Dankjewel Aargh, dat ga ik lekker doen. :)

Geplaatst op 9 januari 2012 om 09:14
Uiltje

Een dappere dochter
zo kostbaar als water.

Mooi héél ontroerend Wenz.

Geplaatst op 9 januari 2012 om 11:44

Lieverd, wat goed geschreven!
Tranen en glimlachjes wisselden elkaar af, zo goed van je dat je hebt doorgezet en ondanks de aanval weer tot jezelf kwam!! Super!!
En wat kat betreft, ook al was het heel triest, mooi om te zien hoe mensen samen ook goede dingen kunnen doen door voor hem te zorgen..
xxxxx

Geplaatst op 9 januari 2012 om 13:53

Wat moeilijk zeg, als je stemmingen zo onverhoeds het roer over kunnen nemen. Maar je hebt je er dapper doorheen geslagen1

Geplaatst op 10 januari 2012 om 20:43

Was een rollercoaster om te lezen ook. Vergde de lenigheid die je even hierboven in foto’s zelf weergeeft. Maar prachtig blog, echt schitterend!! Hulde hulde hulde.

Geplaatst op 18 januari 2012 om 02:45

Dankjulliewel lieverds. ^.^

Geplaatst op 18 januari 2012 om 13:41