*Sociale interactie voor dummies deel I

Zo zit kluizenaar Wenz veilig in haar grot, zo rolt ze 48 uur lang van het ene sociale avontuur in het andere.

En overleeft ze dat ook nog op haar sloffen.

Sta mij toe u in de komende logjes door mijn rollercoaster te loodsen. Handen binnenboord en riemen vast, daar gaan we!

Deel II vindt u hier.

Wegens een miscalculatie (‘laat ik heel vroeg gaan slapen!’) was ik donderdag al om vier uur in de ochtend klaarwakker opgestaan. Dat gaf me dan weer wel alle tijd om rustig, zeg maar gerust dóódkalm, mijn dag te beginnen.

Om negen uur hees ik mijn weekendtas op mijn rug. De moed zat niet in mijn schoenen! (Maar veel hoger dan mijn dijen kan hij niet gezeten hebben.) Ik ging op pad. De tram bracht me naar Antwerpen Centraal. Ik rookte nog een laatste sigaret voor mijn avontuur zou losbarsten terwijl ik de zon zag ontwaken.

Red light

10.00u
Op spoor 22 begon mijn tocht.
Strijdplan: Een Leuke Dag.
Locatie: Amsterdam.
Partner in crime: Han.

Antwerp Central Station

De treintocht liep gesmeerd, ik hobbelde de grens over, doorkruiste half Nederland en waande mijzelf al haast in Amsterdam toen een half uur voor aankomst een en ander in de spreekwoordelijke soep liep.

‘Dames en heren, wegens problemen verderop aan het spoor rijden er voorlopig geen treinen naar Amsterdam. Zodra wij zelf enige informatie hebben, hoort u het van ons.’ Goed. Balen, maar geen reden tot paniek. Ik wierp een blik op de spoorkaart en maakte een nieuw plan. Terugreizen naar Rotterdam, om van daaruit om te rijden naar Utrecht en zo toch Amsterdam te bereiken. Er stond nu een trein klaar, dus hop! Daadkracht en onverwachte nicotine deden mij al snel in de volgende trein belanden.

Terwijl ik nog wat stond te staren naar het perron en de trein ieder moment zou vertrekken, zag ik vanuit mijn ooghoek opeens een kluitje mensen terug in mijn oude trein springen. Wat?! Zou die nu toch gaan rijden? En naar het goede station? Maar deze trein staat ook op het punt van vertrekken… Ik had een nanoseconde om te beslissen en sprong toch maar uit mijn omrijd-trein en beende naar mijn oude trein terug.

Bij de dichtstbijzijnde deur stonden een jongeman met een soort pilotenjas en een vrouw op leeftijd met mooie ogen in het ‘tussenhok’, zoals ik dat altijd noem. Ik riep ‘Waar gaat deze trein nu naartoe?’ en in koor antwoordden zij mij ‘Amsterdam Centraal!’ Mijn gezicht klaarde op, maar exàct op hetzelfde moment sloten ook de treindeuren. Nee! Verdorie!

Maar! Piloot had zijn armen al tussen de sluitende deuren geworpen en wist zo een smalle opening te laten. Woohoo! Ik sprong de trein alsnog in, Piloot en Prachtoog sleurden mijn tas door de opening en ja! Ik was binnen! Ik bedankte ze vanuit mijn tenen en hoorde dat er een bovenleiding was geknapt maar we alsnog toch langs mochten rijden.

Train view

Bam. Het klapdeurtje van het tussenhok zwiepte tegen de muur. Een rondbuikige conducteur beende binnen en baste tegen Piloot: ‘Was u dat die de deur voor deze jongedame openhield zojuist?!’ Piloot en ik wisselden een blik en zetten direct onze liefste glimlach op. Ja, dat was zo. En ja, het spijt ons. En nee, we zullen het nooit meer doen. De conducteur kwam nog met het ijzersterke argument ‘Ja, als het vliegtuig vertrekt ga je de deur toch ook niet open staan houden?!’ We knikten onze nek in een kramp en richtten onze blik schuldbewust op onze schoenen. Ondertussen besmuikt grijnzend. We werden vergeven.

Stapvoets reden we langs de kapotte bovenleiding. In the middle of nowhere stond een trein. Volgepakt met mensen. Treurig kijkende mensen, geïrriteerd kijkende mensen, moedeloze mensen. De pantograaf, het ding dat normaal tegen de bovenleiding zit, was door de wind achter een van de kabels blijven haken en had de hele reut omlaag getrokken. Daar stonden ze dan, zonder stroom, en dus ook zonder verwarming. Ik had dan wel drie kwartier vertraging, maar deze mensen hadden officieel een rotdag, besloot ik.

13.05u
Amsterdam! Ik waaide Han in de armen en ons avontuur ging, hoewel iets ingekort, van start.
Stap 1: Broodjes bij de bakker.
Stap 2: Bankje in het park.

Sir

‘Ken je het hier?’ vroeg Han. ‘Totaal niet!’ riep ik. Om vijf minuten later op te merken: ‘Hee! Volgens mij ben ik hier een jaar of twee geleden met Kronkel geweest! Is dit niet dat gebouw waar die boeken…eh…bla gehouden wordt altijd? Je weet wel, waar allemaal schrijvers komen spreken en uitgevers boeken presenteren enzo… kom, hoe heet het ook weer…’ Han wist ook wat ik bedoelde, en beaamde het. Alleen kon ook hij niet op de naam komen. ‘Anorexia komt de hele tijd in me op. Zoiets, daar lijkt het op…’ wartaalde ik tegen hem. ‘MELANCHOLIA!’ riep hij op zijn beurt. Net zo foutief. Na tevergeefs een zitplaats uit de wind te zoeken, kwamen we er tenslotte toch op: Manuscripta. Natuurlijk.

‘Best logisch, eigenlijk…’ peinsde Han. ‘Waar kwamen wij mee aanzetten? Anorexia, melancholia… wat zegt dat over ons?’ Ik trok een denkrimpel. ‘Dat zegt iets over wat wij van de gemiddelde boeklezer vinden. Wellicht.’

We wisten met onze broodjes het nabijgelegen park in te waaien en confisqueerden een bankje. We aten, we praatten, we zetten ons schrap om niet weg te stormen, we groetten de meeuwen en de ene knalgroene parkiet in het park. En als ware aspirant-alcoholisten nuttigden we midden op de dag een kriekje op een houten bankje. Volgende stop: een museumpje!

Ik zal u de details besparen. Nee, wacht, bij nader inzien: ik zal u het hele museumbezoek vertellen. De volle vier minuten.

We stapten binnen, kregen de vraag of we een tour-met-gids wilden, sloegen dat aanbod af en betaalden. We gingen de eerste ruimte binnen. Drie glazen bakken met oude postzegels en enveloppen. En een mannequin in postbode outfit. De tweede ruimte: een paar kartonnen pop-up borden waar informatie over architectuur in de buurt op te vinden was. En toen: een gesloten deur. Held Han, die wél zo nu en dan met vreemde mensen durft te praten, ging verhaal halen. De rest van het museum mochten we alleen bekijken met een gids. Die over een klein half uur zou komen. Maar aan de overkant was nog een museumtuin, die wél vrij te bezichtigen was.

Han wierp een vragende blik mijn kant op, met precies genoeg getergdheid erin om mij duidelijk te maken dat hij ook niet stond te springen om een half uur hier te staan wachten naast de kartonnen posters. Ik schudde dan ook mijn hoofd en trok een wenkbrauw op. Wij zijn ijzersterk in woordeloze communicatie als het op sociale situaties aankomt, ziet u. Eendrachtig beenden wij dan ook het museum weer uit, en zochten de overkant op. Grinnikend om het fantastische museumbezoek. Gelukkig hadden we de tuin nog in het verschiet!

Nou ja. Een soort binnenplaatsje tussen de flatgebouwen. Er stonden vier dezelfde antieke girobussen en een handjevol verschillende lantaarnpalen. Een grote foto met omschrijving van een of andere beroemde – of beruchte, dat is mij in alle opwinding ontgaan – paal verhaalde van de tijdspanne en architecturale waarde. De paal had zelfs een naam. Precies dezelfde naam als op het bordje bij een van de verroeste palen stond! Ik keek omhoog, keek weer omlaag naar de foto, wierp mijn hoofd nogmaals in de nek. Verward vroeg ik aan Han of het nu aan mij lag, of dat dit echt twee totáál verschillende palen waren. Zijn kundig oog concludeerde na een seconde of twee exact hetzelfde: wij werden hier driewerf in het ootje genomen.

Na nog een vertwijfelde blik op een plastic kraai die aan een boom geknoopt was, en de drogende, wapperende bonte was van één der balkonnetjes die op de ‘museumtuin’ uitkeek, was het officieel: we hadden het wel gezien.

Harbor Amsterdam

Van al deze culturele overdaad moesten we natuurlijk even bijkomen. Ondanks de tegenwind ploeterden we door de havens en kwamen met spierpijn in de bovenbenen en een gratis facelift aan bij een eetcafé-boot. Score: 4 personeelsleden, 2 klanten, 2 honden en 1 konijn. Een van de honden was een reusachtige Berner sennenhond die volgens mij in zijn eentje al menig boot had laten zinken. Zijn enorme lijf bewoog zich naar de open haard in het bootcafé toe. Daar rommelde hij wat tussen de blokken hout, om een halve boom te kiezen die hij in zijn bek nam. Hij sleurde het ding naar een centraal plekje en zeeg neer. Binnen een minuut of drie was de halve stronk tussen zijn kaken tot moes vermalen. Ik had hem zo mee naar huis willen nemen. Hij zou naast een prima waakhond ook een heel aardig vervoermiddel zijn, bedacht ik.

Ondanks de indrukwekkende hond was het een beetje sfeerloos en koud op de boot. We trotseerden dan ook wederom de storm om, nadat we naar een bonte zwaan gezwaaid hadden, weer in de buurt van het centrum te belanden. Een onverwachte hagelbui dreef ons het dichtstbijzijnde café in. En dat was een schot in de roos.

Failed attempt

Hoezee! Al mijn sociale angsten kregen daar een welverdiende pauze. Een piepklein bruin kroegje, waar vaste klanten permanent vrolijk zijn en de uitbaatster een volkse engel. Waar de ingelijste wijsheden vergeeld zijn en de barkrukken wankel. Ik voelde me er meteen thuis. De stormparaplu van Han mocht in een hoekje uitdruipen terwijl wij ons vochtpeil verhoogden en ons aantal geheimen voor elkaar verlaagden. De klok verdreef het daglicht en voor we het goed en wel doorhadden was het alweer tijd voor iets voedselachtigs en de trip naar het station.

We kochten friet, vermomd als patat, in een dönertentje waar een kat in de bloembakken woonde. De hemel begon spontaan dikke druppels van ontroering te huilen bij het zien van onze bakjes vet, dus we nuttigden ons voedsel schuilend in een portiek. We kwamen er nog achter dat krulletters achterstevoren niet te ontcijferen zijn, dat lichamen een vaste route volgen, dat stormparaplu’s ook niet alles zijn in een hagelbui met tegenwind, en dat Amsterdamse voetgangerslichten wat aanmoediging nodig hebben. (Ze blijven eeuwig op rood tot je zelf maar begint over te steken, dan springen ze spontaan op groen.)

Aan het station moesten we alweer veel te snel afscheid nemen omdat mijn volgende avontuur al stond te trappelen. Maar daarover meer in het volgende log. Iets met het Hilton hotel, scheldende bibliotheekdames en nog iets heel verdrietigs.

Waar ik 1645 woorden nodig heb om de dag samen te vatten, doet Han dat op twitter in 14 woorden:

Dus. Nu ik erover nadenk: misschien moet u hem voortaan maar om een verslag vragen.

8 Reacties

Lobdozer

Van alle musea in A’dam moest je die binnenwandelen. Wel tot dan toe nog een beetje een gezellige dag gehad dus, gelukkig. En dat droevige? Was dat die arme kat waar je het over had?

Geplaatst op 7 januari 2012 om 23:09

Ja we wisten dat ene barre museumpje in heel de stad wel te vinden! :P En ja. Inderdaad. (De kat.) Morgen meer daarover.

Geplaatst op 7 januari 2012 om 23:27

Jeej, zonder het te weten had ik een rol in je 48-uur durende avontuur (klinkt wel mooi zo die 3 woorden achter elkaar).
‘Het Schip’ stond nog wel op mijn lijstje na er een aantal keer langs gefietst te hebben. Doorgestreept. Anderhalf jaar terug al doorgestreept eigenlijk, maar nu wegge-tipp-ext.

En het was toch niet de pannenkoekenboot he? ;)

Geplaatst op 8 januari 2012 om 01:31

Klinkt als een heel toffe dag! Wenz 1 – SA 0. Winning dus.

Geplaatst op 8 januari 2012 om 08:36

Prachtig kneusachtig dat museum en die boot! Maar hoezee voor hond en kat!! Zeer wonderlijk omschreven weer, zusje.

Geplaatst op 8 januari 2012 om 09:56

Inderdaad kRonkel, je was er eventjes een beetje bij! :) Hahaha wegge-tipp-ext. Misschien dat de rest van het museum interessanter is, zou kunnen, dat hebben wij niet gezien natuurlijk. Maar ik geloof niet dat je veel mist nee. ;)

Vond ik ook Kouw, ik genoot zelfs van alle sociale interactie in plaats van het alleen maar uitputtend te vinden! :)

Haha Ape ‘prachtig kneusachtig’! Perfecte omschrijving. :D De beestjes van die dag waren geweldig, die vergeet ik ook niet meer. :D

Geplaatst op 8 januari 2012 om 10:33
Han

Jouw blog wordt mijn groundhog day. :-))

Geplaatst op 8 januari 2012 om 12:16
GEWEBKIJK

nijs verslag, ik kijk uit naar het volgende. :)

Geplaatst op 8 januari 2012 om 16:36