*Stop

Hij weet niet beter of de wereld is naar zijn hand te zetten. Hij sluipt van dag naar dag, moment naar moment. Heel af en toe raakt hij bijna aan zichzelf, dan breekt er paniek uit. Alles zet hij in om de schuld nooit bij zichzelf te hoeven leggen.

Hij leeft in cirkeltjes, maakt steeds dezelfde fouten op steeds dezelfde manier, om daar steeds dezelfde conclusies uit te trekken en steeds dezelfde acties te ondernemen: zinloosheid in een notendop. Ondertussen trekt hij alle registers open om aandacht te krijgen. Hij, het eeuwige slachtoffer, moet op handen gedragen worden want ‘hij probéért het wel, het lukt gewoon niet’. De eerste tien keer dacht ik dat hij door iemand wakker geschud wilde worden. De volgende tien keer dacht ik dat het aan omstandigheden lag dat hij niet kon wat andere mensen wel kunnen. De ontelbare keren daarna brokkelde mijn vertrouwen in hem af en maakte liefde plaats voor irritatie.

Hoe vaak ik gekwetst ben is niet meer te tellen. Hoe vaak hij vrienden, familie, instanties, werkgevers, opdrachtgevers, kennissen en ieder ander persoon teleurgesteld heeft is niet te bevatten. Hij verstaat de kunst zichzelf veilig te stellen, rent overal net op tijd weg, is overal net innemend genoeg om vergeving te krijgen. Kortstondig, dat wel. Op de lange termijn bleef ik over. Zijn zelfingenomenheid is beschamend, hij schat de wereld om hem heen te laag in, is ervan overtuigd zelf op eenzame hoogte te staan.

Duizendmaal dezelfde gesprekken gevoerd zonder resultaat te zien was mijn grens bereikt. Ja, ik weet het, mijn grens lag mijlenver buiten mijn zicht; mijn fout, mijn optimisme. Maar de grens werd bereikt. Ik ging weg. Een breed scala aan mij overbekende trucs werden in de ring geworpen. Van begripvol tot slachtoffertje spelen, van gefrustreerd tot de held uithangen, van traan tot lach: hij is er nog steeds van overtuigd dat niets aan zijn grip kan ontsnappen.

Hoe triest dat iemand zo gewend is aan zijn eigen leugens dat hij er zelf in gaat geloven. Een tweede natuur geworden waarin de werkelijkheid ondergeschikt is aan zijn ego. Ergens ver weg blijf ik hopen dat hij ooit wakker wordt, maar alles wijst erop dat dit niet zal gebeuren. Zelfs wanneer hij schreeuwt het nu te snappen ziet de wereld om hem heen niets anders dan een blaaskaak die de touwtjes in handen wil houden. Hij is simpelweg niet in staat de realiteit te willen zien, hoe makkelijk die beslissing ook is. Hij haalt uit, klauwt, grijpt naar alles waaraan hij zich vast kan klampen om maar niet te moeten weten wat iedereen al weet: het leven is wat je doet, niet wat je zegt.

Dat hij zichzelf zo’n rad voor ogen draait is tot daaraan toe, dat hij zelf vind dat hij recht op begrip kan opeisen is tot daaraan toe, dat hij ervan overtuigd is écht te willen veranderen is tot daaraan toe, maar dat hij de mensen om zich heen denkt te kunnen laten geloven in zijn eigen verzinsels is pijnlijk beschamend. Wanneer hij lijkt te luisteren vonkt er kortstondig een sprankje hoop voor hem in mij op, maar de dag erna hoor ik dezelfde woorden als altijd weer uit zijn keel rollen en sla ik mijzelf voor mijn hoofd. Wanneer hij in zijn domheid een nieuw plan heeft bedacht waar iedereen doorheen prikt maakt hij zichzelf belachelijk door harder te gaan schreeuwen hoe het in elkaar steekt volgens hem.

Wanneer hij misbruik maakt van psychologische dwalingen wil ik hem aanvliegen, hem pijn doen, breken. Waar haalt hij het recht vandaan om, in een poging zijn eigen hachje te redden, te grijpen naar dat wat interessant voor hem klinkt? Hij denkt dat ik het verschil niet zie tussen mensen die werkelijk zichzelf geestelijk kwijt zijn geraakt en hem. Hij denkt dat de zin ‘ik hoor stemmen’ een zin is die duidelijk maakt dat hij stemmen hoort. De prutser, zich niet eens goed verdiepen in de materie. Ik kan hem vertellen dat iemand die mij heel lief is een periode in zijn leven heeft doorgemaakt waarin dat wat híj nu als excuus gebruikt, werkelijk gebeurde. Ik kan hem vertellen dat iemand die gek is zelf niet weet dat hij gek is. Ik kan hem vertellen dat de zin waar hij zich aan ophangt zo doorzichtig is dat je vanbinnen bevriest om zoveel onwetendheid. Ik kan hem vertellen dat hij van mijlenver te herkennen is als iemand die aandacht wil. Ik kan hem vertellen dat het enige dat psychologen zullen concluderen is dat hij schreeuwt om medelijden. Ik kan hem vertellen dat hij mensen onderschat. Ik kan hem vertellen dat psychiaters in zijn spelletje mee zullen gaan om uiteindelijk een poging te doen hem te confronteren met zijn doorzichtigheid.

Maar ik doe het niet. Als ik iets heb geleerd van hem, is het wel dat mensen fouten moeten maken om verder te kunnen. Al mijn pogingen om hem te behoeden voor zijn eigen stommiteiten hebben er alleen maar voor gezorgd dat hij nu nog steeds bij ‘start’ staat. Alle informatie gebruikt hij om zichzelf dieper in de problemen te persen. Duizenden voorbeelden kan ik noemen, de een nog hoofdschuddender dan de ander. Hij moet diep vallen voor hij ooit echt overeind zal krabbelen. Hij zal zichzelf zo diep in de nesten moeten werken dat hij niet anders kan dan de schuld bij zichzelf leggen. Maar ik wil er niet bij zijn. Ik voel me leeggezogen, een sukkel, dat ik al mijn energie in hem heb gestopt, al mijn tijd in hem heb geïnvesteerd, al mijn woorden en daden aan hem heb verspild. Iedereen maakt fouten, dat is inherent aan het leven. Maar nooit leren van je fouten is het enige onvergeeflijke dat je in je leven kunt doen.

Ik neem afscheid van hem, hier en nu, met deze woorden. Ik wil schreeuwen, bijten, krabben. Ik wil huilen en lachen, voor me uit staren en voelen hoe dom ik ben geweest. Ik wil hem loslaten. De laatste stuiptrekkingen neem ik voor lief. Vannacht mijn telefoon uitgezet om mijn slaap veilig te stellen. Zes voicemails, een sms en een mail dwarrelen me tegemoet wanneer ik de wereld weer toelaat. Ook goedemorgen. Kijk je uit? Je struikelde vannacht over mijn grens. Het ga je goed, laat mij met rust. Ik wapen me en trap hem van mijn grondgebied. Hoe heerlijk terug te lopen naar mijzelf.