*Zie mij. Laat mij.

Hij zit op de voorste kerkbank. Winterjas en rode neus. Ik luister naar de dienst, een half oog op zijn kruin gericht. Zoveel jaar geleden. Dan de kist, door het gangpad gedragen door een selectie nakomelingen. Daarachter de rest van wat ooit hun gezin was. Muziek. Onrustig geschuifel, de meute als één groot ongeduldig dier, door zijn baasje bevolen te blijven zitten. Oprecht verdriet overstemd door de wil om als eerste bij de auto te zijn. Daar loopt hij. Voelt hij iets? Verdriet? Zij was zo mooi en zacht en fijn. Zo oud, zo echt, zo oma dat het pijn doet. Was ze ook nog moeder? Zijn moeder? Hij lijkt zich ongemakkelijk te voelen tussen zijn familie. Nog een halve kerk te overbruggen. Mijn broer en ik kijken vanaf de achterste kerkbank naar wat er komen gaat. Dicht genoeg genaderd, fixeert hij zijn blik op zijn schoenen. Met iedere stap vergroot hij de afstand. Een snelle ruk om zijn hoofd zo ver mogelijk van ons af te keren. Dan de kerkdeur door. Dat was dan weer dat. Ik knoop mijn jas dicht en trek mijn harnas strakker.

Zie mij. Ergens moet het zitten, dat verminkte beest. Rauwe kreten in de kelder. Vanaf mijn dertigjarige wolkenkrabber niet te horen. En toch. Laat mij. Zo kan het allemaal nooit bedoeld zijn.

We gaan ‘op eigen gelegenheid’, zoals dat heet. Een uitnodiging in de bus, aan ons gericht. Nieuwe kleren, tintelende tenen. Een immense clan van achternaamdelers die ik nauwelijks nog ken. Binnen worden we warm onthaald. Ik wijs en vraag, mijn broer fluistert en benoemt. Een zaal vol vreemden die mij wel kennen. Er gonst iets. Ik ben te jong om het te plaatsen, te oud om het niet te merken. Ongemakkelijke spellenavond, iets te harde dranklachjes. Dan de deur. Daar staan ze. Uit de toon, zij. Ouder dan in mijn gedachten, hij. En wij, plots het nadrukkelijk nonchalant genegeerde middelpunt. De jassen gaan uit, een tafel, wat verdwaalde begroetingen. Mijn beurt om de sjoelstenen in een gat te mikken. Mijn vingers doen krampachtig. Wanneer ik opkijk, sluit de deur achter hun gehaaste stappen. Stilte die langzaam weer gevuld wordt. Achteraf mijn broer, de tolk. Omdat. Hij, die door de mand viel. Door onze aanwezigheid. Iedereen die dacht dat we samen zouden komen. Hij die dacht dat we niets van de avond wisten. Hoofdschuddende familie. De schande. Zij kwamen hier niet met jou. De schone schijn. Ik polijst mijn kogelvrije vest.

Zie mij. Nog geen blik waardig. Dat kleine meisje aan de ketting, naast het briesende beest in de kelder. Haar neus bijna op de vloer, niet groeien, niet groter, niet erboven uit. Laat mij. Laat mij toch. Ik doe niemand kwaad.

Verhuisd, alweer. Hun huis ruikt naar verf. We schuifelen voorzichtig door het nieuw. Halen foto’s uit onze rugzak. Een vakantie. Ja, wij! Op vakantie! Vol trots de geselecteerde kiekjes onder hun neus. De intieme liggen thuis. Ze glimlachen, knikken, hmhm. Leuk. Fijn. Dan de leegte. Wij, die weer naar zolder vertrekken. Hier toch ook, een zolder? De trap op. Oorverdovende stilte. We zoeken. We zoeken en twijfelen. De trap af, de deur open. Waar zijn onze…? Hun betrapte blik. Een raar apparaatje op tafel. Rood gestamel. Mijn broer. Waarom ze de negatieven aan het bekijken zijn. Ik weet waar hij nu aan denkt. Ik denk het ook. Die foto die we namen, ‘s ochtends, als grap. Hee mam! Klik. Halverwege het aankleden. Giebel giechel. Schaamte, namens haar. Willen beschermen, van haar. Voor het eerst verontwaardiging. Ik maak de vraag af. Waar is al ons speelgoed? De racebaan, de Ghostbusters, de Transformers, de zelfgemaakte zwaarden, de Hotwheels, de poppenkast, de… Weg. Hadden jullie dat nog willen hebben dan? Voor het eerst woede. Van ons! Door ons gekocht, aan ons gegeven, door ons gespaard, gespaard, gespaard, gekoesterd, geliefd, van thuis meegenomen om hier iets te doen te hebben. Nu weg. Alles weg. Wij afweziger dan ooit. De strop om mijn hals striemt diepe voren in het vlees.

Zie mij. Zie hoe ik je sla, schop, bijt. Zie hoe ik huil. Huilen moet. Zou moeten. Zou willen kunnen. Waarom steeds opnieuw uitgewist. Hoe verder ik terugga, hoe dieper het snijdt. Waarom steeds opnieuw met de grond gelijk. Laat mij. Laat mij je pijn doen, zoals je mij pijn doet. Hees fluister ik in het oor van het beest, verhit, verwoed.

We hebben een verrassing. Ik denk aan taart en snoep, of een speeltuin, misschien een zwembad. Hij legt iets op tafel. Zij staat ernaast. Een glimlach. We zijn getrouwd. Ja. Een paar weken geleden. Nee, geen feest, gewoon klein. Zie, het boekje. Leuk hè. Ik snap het niet. Ik wilde mee. Ik wilde helpen, de versieringen, de spanning, het zou superleuk worden, een feest met taart en bij elkaar passende outfits, met officiële meneren en ringen en applaus. Ik slik de tranen in, veeg mijn neus aan mijn mouw af. Opeens vallen puzzelstukken op hun plaats. Dat hij onze schoolfoto’s – de grootste hadden we aan hem gegeven – nooit opgehangen had. Dat we op de tweede dag van het langverwachte kamperen weer naar huis gebracht werden. Te lastig. Ze lust bijna niks op brood. Hij is zo druk. Gedoe. Twee weken opeens nieuw in te vullen. De ritjes, boos als we niet al buiten staan te wachten. Doodse stilte in zijn auto. Een vreemde. We proberen, mijn broer en ik. Verhalen. Een afwezige knik. Vragen. In mist gehulde antwoorden. Als we bij hem zijn, de leegte. Ongemakkelijk. Wie is hij. Voeten op de tafel wielrennen biertje sigaar. Maar wie is hij. Hij is nog banger voor het leven dan ik. Langzaam lossen we op. Iedere zondag, om de zondag, eens per maand, heel soms nog, nooit meer. Geen weerwoord, geen vraag, geen verjaardagskaarten, geen reactie op de brief van puberbroer. Niets. We sluiten onze deur. Je zoekt je beul niet op.

Zie mij. Zie mij bloedend naast het beest. Ik aai het, omarm het, hoe lelijk het ook is, hoe afgrijselijk het ook schreeuwt, ik voedt het, laat het de muren onderbraken, de vloer kniediep volschijten. Ik heb geen idee hoe ik het hier weg krijg. Ik leef met het ding mee, het leeft met mij, in mij. Laat mij. Laat mij dit beest verzorgen. Het is alles wat ik heb. Ik durf er niet naar te kijken, durf er niet van weg te kijken. Ik durf niet te zijn, durf niet te worden, durf niet te durven.

Nog vroeger. Kerstmis, het cadeau. Mijn naam op het pakje, verkeerd geschreven. Verkeerd geschreven en dat zeg ik. De kamer vult zich met irritatie, verpakte schaamte. Ik zwijg. Open mijn pakje. Een Barbie met een jurk die licht geeft in het donker, op een fiets die echt rijdt. Ik haat Barbie. Ik haat roze. De jurk is goed. Naar het raam rennen, de stof in het licht houden. Naar de kelder rennen, in het donker, spannend. De jurk opeens geen jurk meer maar een hand vol sterretjes. Heen en weer. Licht, donker. Twee keer, vier keer, acht keer. Stoppen nu. Te druk, die deuren, dat geren. Ik ga op de keukenvloer zitten en laat de fiets tegen de muur rijden. Baf. Gelach vanuit de woonkamer. Ik laat de fiets weer los. Baf. En nogmaals. Baf. Twee keer, vier keer, acht keer, zestien keer, zo vaak als nodig is om hem kapot te maken. Kapot. Ik geef hem nog een trap na. Want dat is wat ik weet. Gebroken schop ik het onding in een hoekje en slenter de woonkamer in.

Zie mij. Zie mij hier zijn. Laat mij. Laat mij bestaan. Het wordt tijd.

14 Reacties

Geplaatst op 23 oktober 2011 om 00:06
Uiltje

Je innerlijk&uiterlijke schoonheid zal overwinnen “Beauty”
Als ik kon toveren!
Warme knuffel.

Geplaatst op 23 oktober 2011 om 09:53

Indringend stuk, erg knap opgeschreven.

Geplaatst op 23 oktober 2011 om 11:43

Pfoe! Die ga ik even op me in laten werken….. kom later terug voor een reactie. Heftig!

Geplaatst op 24 oktober 2011 om 13:48

Zwaar stuk, zusje, een geopende deur naar hoe jij het ervoer.

Geplaatst op 24 oktober 2011 om 14:56

Ik zie je
Ik zie je graag
Ik zie je graag groeien.

En het beest krimpen
en krimpen.

Geplaatst op 24 oktober 2011 om 21:22

Mooi, Wenz. Indrukwekkend.

Geplaatst op 25 oktober 2011 om 17:26

Pfoe, hier word ik stil van. Wat mooi. Wat verdrietig. Zucht.

Geplaatst op 26 oktober 2011 om 15:59

amai, dit is indrukwekkend…ik begrijp het niet echt, heb het gevoel dat het enkel voor de insiders bestemd is.
Zo dreigend schrijnend…

Geplaatst op 27 oktober 2011 om 10:21

Dit is hoogstaande lectuur. Ben er zowaar stil van geworden. Ik kan ook niet direct uit je verhaal halen, wat je in feite echt wil vertellen. Ik heb een vermoeden.

Geplaatst op 27 oktober 2011 om 10:36

Dit leest als therapie. Mooi dat we even mee mogen kijken. Goeie moed!

Geplaatst op 29 oktober 2011 om 15:27

Zeer indringend.
Zeer knap verwoord.

Geplaatst op 30 oktober 2011 om 02:14

Ik loop al een week na te denken over een reactie maar denk dat ik het al goed verwoordde de eerste keer: Heftig!

Dapper ook dat je dit onder woorden kunt brengen en durft te posten.

Ook een klein beetje herkenbaar. Al is mijn situatie peanuts vergeleken bij de jouwe. Vooral het een buitenstaander zijn binnen je eigen familie is iets wat ik herken.

Geplaatst op 30 oktober 2011 om 19:23

Ik weet dat dit een moeilijk stuk is om zomaar overheen te struikelen. Dank jullie wel voor de mooie, lieve en soms ongemakkelijke* reacties. *Dat is oké. :)

Ik schrijf het omdat het zo is, omdat er ergens iets losgewrikt moet worden en ik dit op deze manier probeer: schrijven is wat van mij is, en hoe ik weet dingen te kunnen openbreken. Of je het als lezer nu herkenbaar vindt en precies weet waar ik het over heb, of geen enkel idee heb wat ik hier neerzet: het is vooral voor mezelf een stok achter de deur. Maar! Jullie invoelende comments doen me goed en warmen mijn hart. :)

Geplaatst op 1 november 2011 om 00:18