Fragmenten

~Boeken reviews bestaan er al meer dan genoeg, evenals samenvattingen die zo op de achterflap van de betreffende bundel zouden kunnen. Waar het mij om gaat, is dat ik na het lezen van bepaalde boeken mezelf rijker voel, weer een extra dimensie ervaar in mijn kijk op het dagelijks leven. Waarom net dát boek, of net dít verhaal zo de moeite waard is dat ik het wil aanprijzen bij Jan en alleman is vaak niet zo maar even uit te leggen. De woordkeuze, het onderwerp, de manier van schrijven, de humor, de ideeën, het kan van alles zijn, en is vaak een combinatie van factoren. Om toch een poging te doen die boeken wat extra aandacht te geven, heb ik bij elk van deze juweeltjes een passage gekozen die op de een of andere manier voor mij representatief is voor het boek of de invloed die het verhaal op mij had. En hopelijk, heel misschien, prikkelt dit dan weer iemand anders om het boek ook te gaan lezen.~

*De geschiedenis van de liefde – Nicole Krauss

Ik maak er werk van om gezien te worden. Als ik in de stad ben koop ik wel eens een sapje, ook al heb ik geen dorst. In drukke winkels ga ik zelfs zover dat ik mijn wisselgeld op de grond laat vallen, zodat de dubbeltjes en stuivers alle kanten op rollen. Ik laat me op mijn knieën zakken. Het kost me veel moeite om me op mijn knieën te laten zakken, en nog meer moeite om weer overeind te komen. En toch. Misschien zie ik er belachelijk uit. Ik ga bij de Sportschoenen naar binnen en vraag: Wat hebben jullie aan sportschoenen? De verkoper neemt me eens goed op en ziet de sukkel die ik ben en loodst me naar het enige paar Rockports dat ze hebben, iets in oogverblindend wit. Nee, zeg ik, die heb ik al, en dan loop ik naar de Reeboks en pak iets dat niet eens op een schoen lijkt, eerder een waterdichte halve laars, en vraag om maat drieënveertig. Het joch kijkt me nog eens aan, nu wat aandachtiger. Hij kijkt me heel lang en strak aan. Maat drieënveertig, zeg ik nog een keer terwijl ik de dikgeribbelde schoen tegen me aan druk. Hij schudt zijn hoofd en loopt naar achteren om ze te halen en wanneer hij terugkomt zit ik mijn sokken uit te trekken. Ik rol mijn broekspijpen op en kijk naar die afgeleefde dingen, mijn voeten, en er volgt een ongemakkelijke stilte tot duidelijk wordt dat ik wacht tot hij me in die laarsjes helpt. Kopen doe ik nooit iets. Ik wil alleen maar niet doodgaan op een dag dat ik door niemand gezien ben.

*De hertogin van niets – Heather McGowan

Aan de andere kant, zegt de jongen, Heeft Toby blauwe ogen. Ja, dat weten we allemaal, zeg ik, hoewel ik me zelden om iemands ogen bekommer. En wat bedoel je met aan de andere kant? Maken blauwe ogen dan iets goed? Vraag ik. Gaat die man daar lekkerder van ruiken? Mijn tanden tikken elkaar aan; de woorden willen niet snel genoeg komen. Er zit een konijn in mijn borst en ik heb nergens tijd voor. Blauwe ogen zeggen geen moer, snauw ik. Er zijn afstotelijke mannen en vrouwen die de wereld in kijken met blauwe ogen, mannen en vrouwen die zo lelijk zijn dat het bloed je in de aderen stolt als je ze tegenkomt, om nog maar te zwijgen over Duitsers, die voor mij een teer punt zijn zoals je weet. Ik praat zo snel dat ik niet zeker weet of ik mijn eigen taal nog wel spreek. Als je iets intelligents hebt bij te dragen aan het gesprek, ga ik door, Dan heet ik je ideeën welkom, maar als je onzin blijft uitkramen in de hoop dat ik het niet zal opmerken, ga het dan maar ergens anders doen. Ik luister daar niet naar, zeg ik tegen hem. Misschien zal Toby wel luisteren, misschien zal Toby wel lachen en in zijn verschrompelde vingers klappen als het aapje van een orgeldraaier, maar ik niet. Mij niet. Ik niet. Ik zet mijn kopje met een klap op tafel neer om aan te geven dat het onderwerp is afgesloten. Mijn beheersing van de grammatica begint me in de steek te laten. Edmunds broer kijkt op van zijn kopje koffie. Zijn blik gaat de ruimte rond, zijn tong rolt zich uit en hij begint als een hond te hijgen. Ik had toch eens een boek over kinderverzorging moeten lezen. Ik had er een in de bibliotheek moeten zoeken en in de verklarende woordenlijst onder koffie moeten kijken. Aan het andere eind van de zaak, bij de tafel met studenten, deelt Toby met een zilveren tang broodjes rond. Een tang! Zeg ik tegen de jongen. Zie je dat? Wij hebben nooit een tang gezien, ons werden de broodjes gewoon overhandigd, ze werden ons nog eerder toegeworpen. En aan studenten! Zeg ik, terwijl ik probeer te bepalen of Toby nu voor een tafel met drie vrouwen buigt of alleen maar bukt om een vork op te pakken. Ik vraag me af of die vrouwen die met Toby flirten van zijn stuitende gewoontes afweten, zeg ik, Hoewel dat ook zijn aantrekkingskracht kan zijn. Ik heb wel gehoord over die types. Types die van fetisjen houden. Een fetisj is een ongebruikelijke passie die anderen afkeer inboezemt. Deze vrouwen, wijs ik de zaak rond, hebben misschien wel een fetisj voor Toby’s ranzige lucht. Kun je een zin maken met het woord fetisj? Vraag ik, in een poging de dag weer terug te loodsen naar het onderwijs. Ranzig? zegt hij smalend, Dat is toch geen woord, ranzig? Ik lach. Natuurlijk is Ranzig een woord. Nou, ik heb er nog nooit van gehoord, zegt hij. Ik zwijg. Ik houd er niet van te worden overhoord. Zodra een overhoring wordt bespeurd verlaat kennis bij mij het pand. Ik zou mijn eigen naam nog vergeten, als iemand me overrompelt of er te luid naar vraagt. Edmunds broer heeft me tuk, opeens weet ik niet meer wat ranzig betekent, het zou een stad kunnen zijn die ik ooit heb bezocht, als het al een woord is. Natuurlijk is dat een woord, herhaal ik. Het is een woord dat bedorven en onwelriekend betekent. Ranzig. We herhalen het verscheidene malen, ranzig, ranzig, we proberen het woord uit op de volle zaak, we laten het over onze tongen rollen, de mijne groot en rond, die van de jongen klein, zwaar van de koffie, alsof het onze taak voor deze ochtend is woorden uit te proberen. Wat een ranzige tent hier, roept de jongen. Zo ranzig als vis op zondag, mopper ik, en met onze koffie en onze hoogmoed daarbij opgeteld, worden we allebei lichtelijk hysterisch. We lachen en we lachen, de broer en ik, we kunnen onze lol niet op, zoveel is zeker, met die koffie en de rest erbij. Dan beginnen mijn tanden pijn te doen, ze steken gemeen en een paar vaste klanten staren ons aan. Edmunds broer heeft om een of andere reden met beide handen de zitting van zijn stoel vastgegrepen en hipt met de zitting stijf tegen zijn zitvlak geklemd op en neer. Wanneer ik met mijn vingers knip en hem een snijdende blik toewerp houdt hij ermee op en samen haasten we ons naar de deur, terwijl de jongen biep biep roept.

*Lemon – Laurence Krauser

Wendell zit tegenover zijn ouders boven de resten van een halfopgegeten diner. Alles was prima totdat zijn moeder halverwege naar de citroen vroeg, die hij aan het begin van de maaltijd zonder ceremonie op de tafel had gelegd. Hij heeft geprobeerd zo weinig mogelijk te zeggen. En nu zegt zijn moeder, niet voor het eerst in dit gesprek: Hou op met grappen maken.
-Ik maak geen grappen.
Zijn vader: Gebeurde dit ook toen je nog bij Marge was?
-Niet dat ik weet. Ik had hem toen nog niet gevonden.
Hem, snauwt zijn moeder. Haar gezicht verstrakt nog een graadje, barst dan in nat verdriet uit. Ze begraaft zich in een servet.
-Dit sluit dus andere relaties uit?
-Ik zit hier met jou te praten.
-Beschouw je jezelf als vrijgezel?
-Dat is geen eenvoudige vraag.
Zijn vaders grimas verdubbelt. Zijn moeders ogen kijken wijdopen en nat boven het servet uit. Zijn vader: Wat is niet eenvoudig? Heb jij. Er sexuele omgang. Mee?
-Natuurlijk heeft hij dat.
-De relatie, als dat het woord is waar jij je gemakkelijk bij voelt, is geconsumeerd, zegt Wendell. Maar ik beschouw sex niet als centraal daarin.
-Mijn god, zegt zijn moeder.
-Het is meer dan dat, bedoel ik.
-Wat moeten wij tegen de mensen zeggen?
-Dat kan me niets schelen, pa. Je schijnt er weinig moeite mee te hebben om andere delen van mijn leven te verbloemen.
-Ik heb nog nooit zoiets gehoord. Zijn vader staat op, begint schotels te verzamelen. Je hebt geen idee waar je in verzeild raakt. Brengt de schotels de kamer uit.
-Praat je ertegen? Fluistert zijn moeder.
Vanuit de keuken: Natuurlijk praat hij ertegen!
-Ja. Maar niet neerbuigend. Niet zoals tegen een hond.
-Praat hij tegen je?
-Ma, het is een citroen.
-Is het een pratende citroen?
-Hij zegt in zekere zin ja tegen me, maar niet hardop. Ik ben niet krankzinnig.
-Dat hoop ik maar.
-Citroenen hebben geen lippen.
-Maar hebben ze wel een geest?
-Alsjeblieft zeg.
-Mijn god.
-Hij heeft geen -
-Heeft hij een naam?
-Het is een citroen, ma.

*Kraai – Bavo Claes

Of ik blijf hardnekkig in bed liggen wachten tot de wekker gaat. Uren luisteren naar het ruiselen en het snorren en sputteren van de ademhaling naast me, elke ritmewisseling een wichelteken dat vraagt om ontcijfert te worden. In de hoop de slaap alsnog te vatten probeer ik hoofdrekenen, maar dat leidt al gauw tot hoofdbrekende inzichten, zo onder meer dat ik dezer dagen juist even oud ben als mijn moeder toen zij stierf. ’n Tijdje later (twee keer rug, een keer linker-, drie keer rechterzij) dringt zich met de pijnlijke precisie van de nacht het idee op dat die Dalì boven de televisie een vervalsing is. Daarna, beetje voor beetje, de overtuiging dat mijn arm door een onomkeerbare verlamming is getroffen. Naderhand begint ook het gordijn in de woonkamer te smeulen omdat een van de lampen moet zijn blijven branden. En ertussendoor telkens opnieuw de bergplaats met het verlosbed, elke keer rewind en play en wederom rewind, om het minder erg te laten aflopen dan het afgelopen is. Ten langen leste toch maar naar beneden en komaan, het malen in mijn kop verdrinken in zevenhonderdvijftig milliliter Châteauneuf-de-Pape inclusief bezinksel onzes Heren negentienhonderdnegenenzeventig toen die zoon van ons geboren werd en dus, al zeg ik het zelf, een uitermate voortreffelijk jaar, en daarom, vriend, bezit voortaan uw ziel voorgoed in lijdzaamheid en strooi vooral uw zout niet langer meer in oude wonden, maar op deze verse pontificale pimpelpaarse wijnvlek midden op het zacht crème tapijt. En als dit eenmaal met de grootste zorg is volvoerd, dan rijst quand même de vraag wie het in godsnaam in zijn hoofd haalt om bij een uitgelezen wijn een gezinspak lange vingers leeg te eten. Dat zou ik nondedjeu wel ’s willen weten. Het is begot nogal wat gescheten tegenwoordig! Tegenwoord-ig. Tegen de ochtend, als door het raam van de plee het eerste kwade daglicht valt, klimt slecht ter been op grotelijks atypische wijze de trap op, onkenbaar: een Bekende Kop.

*Dood meisje – Geerten Meijsing

De meest welopgevoede doorsneemensen komen in hun jeugd in het geheel niet in aanraking met psychologische stoornissen. Bij duidelijk afwijkende gevallen blijven zij liefst uit de buurt. Ze hebben dus geen oog voor de geleidelijke ontwikkeling, meestal pas na de puberteit, van moeilijkheden bij anderen. Totdat het te laat is en ze verbijsterd staan te kijken hoe iemand die ze ‘altijd heel normaal’ gevonden hebben, gillend wordt afgevoerd of zijn familie blijkt te hebben uitgemoord. Veel geduld kunnen ze niet opbrengen voor dergelijke stakkers. Maar het is anders wanneer het een kind van je betreft, of een persoon van wie je altijd veel gehouden hebt.
Lily keek nu liever naar Bambi, originele versie, elke dag. De aanval kwam geheel onverwachts. Meestal werden scènes aangekondigd door woordenwisselingen, maar kennelijk kon je ook woordloos communiceren. Er was geen enkele aanleiding. Misschien moest je het daarom een toeval noemen. Op de achtergrond vrolijkte nog het stemmetje van Thumper uit de tv. Hovenier zat aan zijn bureau over het scheepvaartboek van Colmjon gebogen en dook intuïtief opzij toen het lange keukenmes langs zijn oor suisde en met de punt in het bureaublad bleef steken. In haar andere opgeheven hand hield Lily de keukenschaar. Hij had er nooit aan gedacht dat er in elk huishouden genoeg voorwerpen zijn die als wapen gebruikt konden worden: van vliegend servies tot een scherpe briefopener. Als je alle mogelijke moord- of zelfmoordwapens wilde elimineren moest je het gas en de elektriciteit laten afsluiten.

*De ontdekking van de hemel – Harry Mulisch

Quinten zag zijn moeder. Daar was zij: precies daar, op die plek in de wereld, en niet ergens anders. Haar zwarte haar was kortgeknipt. Hij stapte over de drempel en keek naar de roerloos slapende, – alleen het laken ging langzaam op en neer. Bij haar oren werd ze een beetje grijs.
Na een poosje vroeg hij:
‘Kan mama echt nooit meer wakker worden?’
‘Nee, Quinten, mama sliep al toen jij geboren werd. Ze kan niets meer horen en niets meer zien en niets meer voelen – helemaal niets meer.’
‘Hoe kan dat nou? Ze is toch niet dood, zoals opa. Ze ademt toch.’
‘Ze ademt, ja.’
‘Droomt ze?’
‘Dat weet niemand. De doktoren denken van niet.’
‘Hoe weten ze dat?’
‘Ze zeggen dat ze dat kunnen meten, met bepaalde toestellen. Volgens hen mag je eigenlijk niet eens zeggen, dat mama slaapt.’
‘Wat dan?’
Onno aarzelde, maar zei toen toch:
‘Dat ze niet meer bestaat.’
‘Terwijl ze niet dood is?’
‘Terwijl ze niet dood is. Dat wil zeggen,’ zei Onno en vertrok zijn gezicht, ‘mama is dood terwijl ze niet dood is… ik bedoel, wat er niet dood is is niet mama. Het is niet mama, die ademt.’
‘Wie dan?’
Onno maakte een hulpeloos gebaar.
‘Niemand.’
‘Dat kan toch zeker niet.’
‘Dat kan absoluut niet, maar zo is het dus.’
(…)
‘Hoe is het gebeurd, papa?’
Onno knikte en vertelde hem in grote trekken de hele geschiedenis.
(…)
‘Daarna heb jij nog drie maanden in mama’s buik gezeten. Dat was heel bijzonder, het stond later zelfs in de krant.’
Quinten keek naar de witte omtrek van Ada’s lichaam onder het laken.
‘Zat ik toen nog in die buik?’
‘Ja.’
Nadenkend, zijn handen op zijn knieën, wiegde hij met zijn bovenlichaam naar voren en naar achteren.
‘Maar als ik daar toen nog in zat, dan zat ik dus eigenlijk niet meer in mama’s buik?’
Onno maakte een hulpeloos gebaar en wist niet wat hij moest zeggen. De paradox maakte alles waar, zodat niets meer waar was.

*Herzog – Saul Bellow

Asphalter drukte zijn handen tegen zijn gebaarde wangen, en zijn stem beefde. Zijn vochtige zwarte ogen stonden verwilderd, met een pijnlijke lach. Toen trok hij zijn stoel naar achteren, uit het licht. Misschien zou hij nu gaan huilen. Ik hoop van niet, dacht Herzog. Hij had met hem te doen.
‘Wees maar niet verdrietig, Luke. Luister nu eens naar mij. Misschien kan ik je hierover iets vertellen. Ik kan je tenminste vertellen hoe ik het zie. Een mens kan zeggen: “Van nu af aan ga ik de waarheid spreken.” Maar de waarheid hoort hem en rent weg en verstopt zich voor hem voordat hij zelfs is uitgesproken. Er is iets vreemds met het menselijk bestaan, en beschaafd intellect maakt zijn eigen ideeën belachelijk. Die Tina Zokóly moet ook grapjes maken.’
‘Dat denk ik niet.’
‘Dan is het het oude memento mori, de monnikenschedel op de tafel, gemoderniseerd. En waar is dat goed voor? Het gaat allemaal terug naar die Duitse existentialisten die je vertellen hoe goed angst voor je is, hoe dat je redt van verwarring en je vrijheid geeft en je authentiek maakt. God is niet meer. Maar er is Dood. Dat is hun verhaal. En we leven in een hedonistische wereld waarin geluk wordt gevormd naar een mechanisch model. Alles wat je moet doen is je gulp openmaken en je geluk grijpen. En zo voeren deze andere theoretici de spanning van schuld en angst als remedie. Maar het leven van de mens is veel subtieler dan elk van die modellen, zelfs die vernuftige Duitse modellen. Moeten we zo nodig theorieën van angst en kwelling bestuderen? Die Tina Zokóly is een onzinnige vrouw. Ze zegt dat je jezelf moet oefenen in duizendvoudig sterven en je intelligentie antwoordt haar met geestigheid. Maar jij overdrijft de zaak. Dit is zelfspot tot de graad van foltering. Bitterder en bitterder. Apen en billen en dansmeisjes die haasje-over spelen.’
‘Ik hoopte dat we hierover een gesprek zouden kunnen hebben,’ zei Asphalter.

*Stikken – Chuck Palahniuk

Tot de verpleegster terugkomt, zit ik gewoon op de rand van mijn moeders bed te wachten.
Mijn moeder heeft een van die klokken waarbij ieder uur door de roep van een andere vogel wordt aangegeven. Opgenomen op een bandje. Eén uur is het Amerikaanse roodborstje. Zes uur is de noordelijke wielewaal.
Twaalf uur ’s middags is de huisvink.
De zwartkopmees betekent acht uur. De witborstboomklever betekent elf uur.
Je snapt het wel.
Het probleem is dat het associëren van vogels met bepaalde tijdstippen verwarrend kan worden. Vooral als je buiten bent. Je verandert van een klokkijker in een vogelwaarnemer. Iedere keer dat je de grasmus hoort, denk je: Is het al tien uur?
Eva rijdt mijn moeders kamer een stukje in. ‘Je hebt me pijn gedaan’, zegt ze. ‘En ik heb het nooit aan mama verteld.’
Die bejaarden. Die menselijke ruïnes.
De kuifmees heeft al een halfuur geleden geroepen en ik moet de bus halen en op mijn werk zijn tegen de tijd dat de blauwe gaai zingt.
Eva denkt dat ik haar grote broer ben die haar zowat een eeuw geleden gepiepeld heeft. Mijn moeders kamergenote, mevrouw Novak, met haar vreselijke grote hangborsten en oren, denkt dat ik haar ploertige compagnon ben die haar het octrooi voor de katoenzuiveringsmachine of de vulpen of zoiets afhandig heeft gemaakt.
Hier krijg ik de kans alles voor alle vrouwen te zijn.
‘Je hebt me pijn gedaan’, zegt Eva en ze rolt wat dichterbij. ‘En dat heb ik helemaal nooit vergeten.’
Iedere keer dat ik op bezoek kom, is er een ouwe rozijn met woeste wenkbrauwen die me Eichmann noemt. Een andere vrouw met een doorzichtig plastic slangetje vol pis, dat onder haar kamerjas uitkronkelt, beschuldigt me ervan dat ik haar hond gestolen heb en ze wil hem terug. Altijd als ik een andere oude vrouw passeer, die in een massa roze truien in haar rolstoel zit weggezakt, sist ze me iets toe. ‘Ik heb je gezien’, zegt ze en ze kijkt me met een troebel oog aan. ‘Die avond van de brand heb ik je gezien met ze!’
Het is hopeloos. Iedere man die Eva ooit in haar leven heeft gekend, is waarschijnlijk in een of andere vorm haar grote broer geweest. Of ze het besefte of niet, ze heeft haar leven lang afgewacht, ervan uitgaand dat mannen haar zouden piepelen. Serieus, zelfs gemummificeerd in haar gerimpelde huid is ze nog steeds acht jaar. Ze is blijven steken. Net als Koloniaal Dunsboro met zijn groepje doorgedraaide müslivreters, zit iedereen in het St.-Antonius in zijn verleden gevangen.
Ik ben geen uitzondering, en denk maar niet dat jij er een bent.
Net zoals Danny vastzit in het blok, is Eva in haar ontwikkeling blijven steken.
‘Jij’, zegt Eva en ze prikt met een trillende vinger naar me. ‘Jij hebt mijn kedietje pijn gedaan.’
Die vastgeroeste ouwe mensen.
‘O, je zei dat het maar een spelletje was’, zegt ze en ze rolt met haar hoofd, terwijl haar stem een eentonige klank krijgt. ‘Het was ons geheime spelletje, maar toen stopte je je grote mannending in me.’ Haar benige, kromme kleine vinger blijft in de lucht naar mijn kruis prikken.
Serieus, alleen al bij de gedachte wil mijn grote mannending gillend de kamer uit rennen.
Het vervelende is dat het overal in het St.-Antonius hetzelfde liedje is. Een ander oud skelet denkt dat ik vijfhonderd dollar van haar heb geleend. Weer een andere uitgezakte oude vrouw noemt me de duivel.
‘En je hebt me pijn gedaan’, zegt Eva.
Het is moeilijk om hier te komen zonder de schuld voor iedere misdaad uit de geschiedenis op je te nemen. Je wilt in ieder oud tandeloos gezicht schreeuwen. Ja, ik heb die Lindbergh-baby gekidnapt.
Die toestand met de Titanic, dat heb ik gedaan.
Die Kennedy-moordzaak, ja, dat was ik.
Dat Tweede-Wereldoorloggedoe, dat atoombomdingetje, nou, wat denk je? Daar zat ik achter.
Het aidsvirus? Sorry. Ik weer.

*De correcties – Jonathan Franzen

Enid had absoluut geen schaamte gevoeld, nog niet het kleinste beetje, toen de waarschuwingstoeters klonken en de Gunnar Myrdal begon te trillen doordat de stuwmotoren in tegengestelde richting werden geschakeld, en toen Sylvia Roth haar voorttrok door de volle Pippi Langkous Balzaal, roepend: ‘Hier is zijn vrouw, laat ons erdoor!’ Enid had zich niet gegeneerd gevoeld om dokter Hibbard weer te zien toen hij op het shuffleboarddek knielde en de natte kleren van haar man losknipte met een sierlijke operatieschaar. Zelfs toen de assistent/bedrijfsleider van het cruiseschip, die haar hielp met het pakken van Alfreds bagage, een gelige luier in een ijsemmer vond, zelfs toen Alfred de verpleegsters en ziekenbroeders op het vasteland stijf schold, zelfs toen het gezicht van Khellye Withers op de tv in Alfreds ziekenhuiskamer haar eraan herinnerde dat ze geen woord van troost tegen Sylvia had gezegd kort voordat Withers zou worden geëxecuteerd, voelde ze geen schaamte.

*De engelenmaker – Stefan Brijs

Boven gekomen zag de torenwachter dat de jongen zijn handen krampachtig om de spijlen van de trapleuning had geklemd. Hij boog voorover en reikte naar de magere armen, maar nog voor hij ze ook maar even had aangeraakt, begon het kind al te roepen: ‘Raak me niet aan! Raak me niet aan!’
Zijn ijle stem ging door merg en been. Otto Reisiger deed verschrikt een stap naar beneden en botste tegen Frau Maenhout. Hij greep zich vast aan de trapleuning en met zijn andere hand raakte hij per ongeluk de muts van het kind, zodat die scheef kwam te zitten. Wat hij toen zag, nam alle twijfel weg: een grote, kale schedel, waarover vele inktblauwe aderen liepen.
‘Kijk eens, het is er toch eentje van de dokter! Ik wist het wel!’ riep hij uit. Hij draaide zich om en wees met zijn duim naar het kind.
Frau Maenhout wendde snel haar blik af en richtte zich tot de jongen.
‘Laat mij maar even,’ zei ze, en ze boog zich over de jongen heen en begon met sussende woorden op hem in te praten. Een paar keer hoorde de torenwachter de naam Michaël vallen.
Beneden zag Felix Glück hoe Frau Maenhout de jongen ten slotte optilde. Ze wilde de muts weer recht op zijn hoofd zetten, maar hij sloeg haar hand weg en riep luid: ‘Nee, nee, ik ben geen musketier meer!’ En met zijn andere hand trok hij vervolgens het masker van zijn gezicht.
Alsof hij daarmee een teken had gegeven, besloten zijn broers zijn voorbeeld te volgen. Met een snelle beweging van hun hand wipten ze de muts van hun hoofd en deden hun masker af.
Met de ogen knipperend nam de garagehouder hun gezichten op en hij betrapte zich erop dat zijn mond openviel van verbazing.